Alle soorten › Steltloperachtigen

Steltloperachtigen | Charadriiformes

Waders, gulls and terns | Limícolas, gaviotas y charranes

Steltloperachtigen vormen een omvangrijke en zeer diverse orde die vooral op moleculaire gegevens bij elkaar wordt gehouden; een plevier en een meeuw ogen dan ook heel verschillend van elkaar. Gemeenschappelijk is de sterke binding aan de rand van het water: kust, oever of open terrein, waar de vogels lopend, wadend of zwemmend naar voedsel zoeken. Het verenkleed is dicht en goed bestand tegen nat weer, en de meeste soorten broeden in een eenvoudige kuil op de grond, vaak in kolonies. De donzige jongen zijn nestvlieders of halve nestvlieders die kort na het uitkomen al kunnen lopen en zwemmen.

Families in deze orde

  • Plevieren en verwanten | CharadriiGrote ogen zijn het kenmerk: deze vogels zoeken hun voedsel op het zicht en pikken het van de oppervlakte, en lopen daarom in stoten - rennen, stilstaan, pikken, weer rennen. De snavels lopen binnen de groep sterk uiteen, van kort en stomp tot lang en beitelvormig, maar de poot is overal gelijk: drie tenen naar voren en een achterteen die klein is of ontbreekt. De jongen worden alleen bewaakt en warm gehouden; hun voedsel zoeken ze vanaf de eerste dag zelf bij elkaar. Wie te dicht bij het nest komt, wordt weggeleid door een ouder die luid roepend voor hem uit strompelt alsof zijn vleugel gebroken is.
  • Kluten | Recurvirostridae2 soortenGefoerageerd wordt wadend in ondiep, vaak zilt of alkalisch water. Bij de soorten met een opgewipte snavel gaat dat op de tast: de snavel wordt zijwaarts maaiend door de bovenste laag slib gehaald, in een gelijkmatig ritme waarbij het gebogen deel plat over de bodem strijkt; soorten met een rechte snavel pikken juist gericht van het wateroppervlak en van waterplanten. De poten zijn zo lang dat dieper kan worden gewaad dan andere steltlopers aankunnen, en waar de bodem wegvalt gaat de vogel zwemmen en kantelt hij voorover om bij het voedsel te komen. Muggenlarven, pekelvliegen, kleine kreeftjes en zaden vormen de hoofdmoot. Het nest is een kuil vlak bij de waterlijn, vaak in losse groepen bij elkaar; stijgt het water, dan wordt er materiaal onder het legsel geschoven en de rand opgehoogd. Bij gevaar komt de hele groep luid en scherp blaffend in de lucht om boven de indringer te blijven duiken, terwijl een oudervogel op de grond kreupel loopt om de aandacht van de kuikens weg te leiden.
  • Scholeksters | Haematopodidae2 soortenDe snavel is zijdelings afgeplat tot een beitel en wordt op twee manieren gebruikt: sommige vogels steken hem tussen de kleppen van een nog geopende schelp en snijden de sluitspier door, andere slaan de schelp op een steen of aan de zwakke zijkant kapot. Welke van beide een vogel toepast, leert hij van zijn ouders; de snavel slijt naar dat gebruik en verandert binnen enkele weken van vorm als de vogel overstapt. Op grasland en akkers worden ook regenwormen uit de grond getrokken. Anders dan bij vrijwel alle andere steltlopers zoeken de kuikens hun voedsel niet zelf: de ouders dragen het maandenlang aan, tot ver nadat de jongen kunnen vliegen, omdat het openen van schelpen te veel oefening kost. Het nest is een kuil boven de vloedlijn, met twee of drie eieren. Buren en indringers worden begroet met een luid, versnellend gepiep, waarbij de vogels met gebogen nek en de snavel recht omlaag naast elkaar over het strand lopen.
  • Plevieren | Charadriidae13 soortenDe snavel is kort, recht en relatief dik, geschikt om op het zicht te jagen: de vogel rent over droogvallend slik of gras, stopt abrupt en pikt een prooi van het oppervlak, in plaats van tastend te sonderen zoals veel andere steltlopers doen. De grote ogen wijzen op een voorkeur voor foerageren bij schemer en in de nacht, wanneer op maanlicht of straatverlichting wordt gejaagd. Het legsel bestaat doorgaans uit vier peervormige eieren met de punten naar binnen in een kale kuil op open grond; de cryptische tekening laat ze wegvallen tegen kiezels of aarde. Bij gevaar simuleert een oudervogel vaak een gebroken vleugel en lokt zo predatoren van het nest weg, terwijl de donzige kuikens zich plat tegen de grond drukken en doodstil blijven liggen.
  • Strandlopers en snippen | ScolopaciEen lange snavel met drukzintuigen in de top: deze vogels sporen hun prooi op de tast op, diep in modder of vochtige grond, zonder hem ooit te zien, en foerageren daardoor in het donker even goed als overdag. Het kleed is bruin en fijn gestreept of gevlekt, en de ogen zitten hoog en ver naar achteren in de kop, zodat de vogel al tastend ook boven en achter zich blijft kijken. De broedzorg is binnen de groep opvallend verschillend verdeeld: bij een deel van de soorten broedt alleen het mannetje en legt het vrouwtje kort na elkaar voor meerdere partners. Zang in de gewone zin ontbreekt meestal; boven het broedgebied maken ze geluid met hun staart- of vleugelpennen, in een baltsvlucht die hele nachten kan duren.
  • Jacana's | Jacanidae1 soortDe tenen en nagels zijn buitensporig lang — de rechte achternagel kan langer zijn dan de teen zelf — zodat het gewicht van de vogel over een groot oppervlak wordt verdeeld en hij over drijvende waterlelie- en lisdoddebladeren kan lopen zonder erdoorheen te zakken. Lopend wordt tussen de bladeren en van het wateroppervlak gepikt: insecten, slakken, kleine visjes en zaden, waarbij soms een blad met de snavel wordt omgekeerd om te zien wat eronder zit. Op de vleugelbocht zit een scherpe spoor waarmee bij territoriumgevechten wordt geslagen, en op het voorhoofd draagt een deel van de familie een kale huidlob. De rolverdeling is omgekeerd: het vrouwtje is fors groter, bezet een territorium met meerdere mannetjes en legt voor elk van hen een legsel. Het mannetje bouwt daarna alleen het nest — een dun matje van stengels op drijvend blad, vaak kletsnat — bebroedt de glanzende, met donkere krassen overdekte eieren en zorgt in zijn eentje voor de jongen; bij gevaar klemt hij de kuikens onder zijn vleugels en draagt ze weg met de pootjes bungelend.
  • Strandlopers en snippen | Scolopacidae54 soortenDit is een familie van tasters: de snaveltip zit vol drukgevoelige zintuiglichaampjes waarmee een prooi diep in nat slik wordt waargenomen zonder dat de vogel hem ziet, en bij veel soorten kan alleen het uiterste deel van de bovensnavel worden opgelicht, zodat een worm onder de grond wordt beetgepakt terwijl de snavel verder gesloten blijft. Doordat snavel- en pootlengte per soort sterk verschillen, foerageren tientallen vogels op hetzelfde wad naast elkaar zonder elkaar te verdringen: de een pikt van het oppervlak, de ander sondeert tot aan de ogen in de modder. Enkele soorten draaien zwemmend in kleine kringen rond en pikken op wat door de opgewekte draaikolk naar boven komt. Het nest is een uitgetrapte kuil met vier eieren, de punten naar binnen; de kuikens lopen en zoeken vrijwel meteen zelf hun voedsel. Boven de broedgebieden wordt hoog in de lucht gebaltst, met een aanhoudende ijle roep of, bij sommige soorten, met een zoemend geluid dat door de in de wind gespreide staartveren wordt voortgebracht.
  • Meeuwen, sterns en alken | LariDeze steltlopers zijn niet aan de oever gebonden: ze nemen hun voedsel van of onder het wateroppervlak, rusten zwemmend op open zee en houden zich op lange vleugels urenlang zwevend in de lucht - een deel roeit onder water met diezelfde vleugels. Ze broeden in kolonies op kliffen, eilandjes en stranden, met een klein legsel dat vaak niet meer dan één of twee eieren telt. De jongen blijven bij het nest en worden door beide ouders gevoerd, bij sommige soorten tot ver nadat ze kunnen vliegen; het duurt daarna nog jaren voor ze zelf broeden, en ondertussen dragen ze wisselende onvolwassen kleden. Niet alles in de groep past in dat beeld: erfelijk onderzoek plaatst er ook enkele kleine, verborgen levende grondvogels bij.
  • Jagers | Stercorariidae5 soortenEen groot deel van het voedsel wordt op andere zeevogels veroverd: in de vlucht wordt één slachtoffer uitgekozen en in scherpe bochten achtervolgd tot het zijn vangst laat vallen of uitbraakt, waarna die in de lucht of van het water wordt opgepikt. De snavel is aan het eind gehaakt en draagt een hoornplaatje op de basis; de tenen hebben scherpe nagels. Op de broedgronden verandert het menu volledig: dan worden eieren, kuikens, kleine knaagdieren, bessen en insecten gegeten, en bij sommige soorten hangt het broeden zo sterk van de aantallen knaagdieren af dat er in arme jaren nauwelijks tot leggen wordt gekomen. Het nest is een kale kuil op open terrein met doorgaans twee eieren; wie te dichtbij komt wordt luid roepend en in scherende duikvluchten op het hoofd aangevallen. Bij meerdere soorten komen naast elkaar een lichte en een donkere kleurvorm voor, en de middelste staartpennen steken bij volwassen vogels als punten of lepels achter de staart uit. Buiten de broedtijd wordt op open zee geleefd, ver uit de kust.
  • Alken | Alcidae21 soortenOnder water wordt met de vleugels geroeid en niet met de poten; de vleugels zijn daarom kort en smal, wat duiken tot tientallen meters diepte mogelijk maakt maar in de lucht een snelle, zoemende vleugelslag en een moeizame start over het water afdwingt. De vangst wordt bij een aantal soorten niet ingeslikt maar dwars in de snavel meegedragen, soms een tiental visjes tegelijk met de koppen dezelfde kant op. Gebroed wordt in dichte kolonies op kliffen, in rotsspleten of in zelfgegraven holen; wie op een kale richel broedt legt één sterk peervormig ei rechtstreeks op de steen, zonder nestmateriaal. Bij verscheidene soorten verlaat het jong de kolonie voordat het kan vliegen: het springt in het donker omlaag naar zee en wordt daar door het mannetje verder grootgebracht. De stem is een laag knorren, blaten of ratelen dat in een kolonie tot een aanhoudend gedreun samenvloeit; felgekleurde snavelplaten en veertooien worden na het broedseizoen afgeworpen.
  • Meeuwen, sterns en schaarbekken | Laridae48 soortenDe familie omvat sinds recente indelingen niet alleen meeuwen en sterns maar ook de schaarbekken, en dat is meteen zichtbaar aan de snavel: meeuwen hebben een stevige, aan het eind gehaakte snavel voor een alleseterslevensstijl van aas tot afval, sterns een slanke, spitse snavel om al vliegend van boven in het water te storten en vis te grijpen, en de schaarbek een unieke, aan de basis samengedrukte snavel waarvan de ondersnavel duidelijk langer is dan de bovensnavel, waarmee hij scherend over het water vliegt en de ondersnavel als een net door het oppervlak trekt. Grotere meeuwen doen er meerdere jaren over om hun definitieve, egaal grijs-witte verenkleed te krijgen en dragen tot die tijd een opeenvolging van bruin gevlekte onvolwassen kleden, iets wat bij de meeste andere vogelfamilies binnen een jaar is afgerond. Meeuwen stelen bovendien geregeld voedsel van andere vogels door ze in de lucht te achtervolgen en te dwingen een prooi los te laten, een techniek die bij sterns en schaarbekken vrijwel ontbreekt. Bij verstoring van een kolonie vliegen tientallen tot honderden volwassen vogels tegelijk op om een indringer luid roepend en duikend te verjagen, een gezamenlijke verdediging die overtreders zelden onbeschadigd laat gaan.