Alle soorten › Eendachtigen › Eenden, ganzen en zwanen › Nonnetje
Nonnetje | Mergellus albellus
Smew | Serreta chica
Het nonnetje is de kleinste zaagbek van de wereld en de enige die van kop tot staart overwegend wit is: het mannetje lijkt van ver bijna geheel wit, met alleen een zwart masker om het oog en fijne zwarte lijntjes op de flanken. Het is in oorsprong een Euraziatische broedvogel, en in Noord-Amerika alleen als een schaarse, regelmatig terugkerende wintergast bekend op de westelijke Aleoeten. Elders op het continent duikt hij slechts bij hoge uitzondering op.
Geluid
Het nonnetje is een stille eend, buiten de balts nauwelijks te horen. Het mannetje laat in de balts een zacht, knetterend geratel horen, vaak samen met een kort, laag fluittoontje, terwijl het vrouwtje reageert met een schor, schrapend gekras. Op de Noord-Amerikaanse overwinteringsplekken, waar de vogels zelden of nooit balsen, is de soort vrijwel geheel geluidloos en verraadt alleen het opvliegen van een groep zijn aanwezigheid.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Het mannetje is opvallend: overwegend wit met een zwart maskertje rond het oog, een zwarte nek en rug, en enkele smalle, gebogen zwarte lijntjes op de verder witte flank. Het vrouwtje en het mannetje in eclipskleed zijn grijs van lichaam met een kastanjebruine kop en kruin en een scherp afstekende witte wang en keel. Beide seksen hebben een korte, dunne, getande snavel, typerend voor de zaagbekken, en een kuifje dat overeind gezet kan worden. In vlucht valt vooral op hoe klein en compact de soort is, met snelle vleugelslagen, veel lichter gebouwd dan de grotere zaagbekken.
Verwarringssoorten
Het vrouwtje en het eclipsmannetje worden het snelst verward met vrouwtjes van de veel grotere kapmerganser, maar het nonnetje is kleiner en lichter gebouwd, met een schoner wit wangveld tegen de kastanjebruine kop en een minder opvallende kuif. Van veraf kan een mannetje nonnetje door zijn overwegend witte verenkleed aan een mannetje buffelkopeend doen denken, maar de tekening is volledig anders: het nonnetje heeft een smal zwart oogmasker in plaats van een grote gesloten kopvlek, en mist het buffelkopeend-typische groen-paarse glanzende kopdeel volledig. Met geen van de andere zee-eenden in dit gebied is hij te verwarren.
Leefgebied
In zijn Euraziatische broedgebied broedt het nonnetje in holtes van oude bomen bij heldere meren en langzame rivieren in het boreale naaldbos, net als de brilduikers waarmee het nauw verwant is. In Noord-Amerika is de soort alleen als wintergast bekend, waar hij op de westelijke Aleoeten beschutte baaien en kustwateren tussen de eilanden gebruikt. Op het vasteland van het continent is geen vast leefgebied vastgesteld: verspreide waarnemingen komen zowel van kustwateren als van binnenlandse meren en plassen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedt van Scandinavië door Siberië tot aan de Grote Oceaan en overwintert in Noord-Afrika, Zuid- en Oost-Azië en delen van West-Europa. In Noord-Amerika bereikt hij in kleine, wisselende aantallen jaarlijks de westelijke Aleoeten van Alaska, het dichtstbijzijnde stapsteen vanuit Azië; van daaruit is hij verder oostwaarts en zuidwaarts over het continent alleen bekend van verspreide, onregelmatige waarnemingen, van de Grote Meren tot de noordoostkust, te schaars om als vaste verspreiding te gelden.
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
De beste en vrijwel enige regelmatige kans in Noord-Amerika is in de winter op de westelijke Aleoeten, tussen groepen buffelkopeenden en andere kleine duikeenden in een beschutte baai. Het bijna geheel witte mannetje is dan met geen andere Noord-Amerikaanse eend te verwarren; vrouwtjes vergen meer aandacht en zijn het best te herkennen aan de combinatie van kastanjebruine kop en scherp witte wang.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd, met een grote populatie in Eurazië die naar schatting stabiel is. In Noord-Amerika is de soort een vagrant zonder eigen broedpopulatie, en de instandhouding hangt hier dan ook volledig af van de gezondheid van de Aziatische broed- en trekgebieden, niet van omstandigheden op het continent zelf.
Wetenschappelijke naam
Mergellus albellus | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Mergus Albellus, bij de zaagbekken; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Mergellus werd in 1840 ingevoerd door Prideaux John Selby, als verkleinwoord van Mergus, Latijn voor 'duiker' — de zaagbekken zijn dus 'kleine zaagbekken', naar hun geringere formaat ten opzichte van de grotere soorten in dat geslacht. De soortnaam albellus is zelf ook een verkleinwoord, van het Latijnse albus, 'wit' — 'kleine witte'. Als typelocatie noemde Linnaeus 'Europa', later beperkt tot de Middellandse Zee bij Smyrna, op grond van het reisverslag van Fredrik Hasselquist.


