Alle soorten › Eendachtigen › Eenden, ganzen en zwanen › Grote zaagbek
Grote zaagbek | Mergus merganser
Common Merganser | Serreta grande
De grote zaagbek is de grootste en zwaarste zaagbek in deze gids, met de zware, gestroomlijnde bouw van een echte visjager. Het mannetje heeft een gladde, glanzend donkergroene kop zonder kuif, een zuiver witte romp met een vage zalmroze zweem, en een lange, dunne, oranjerode snavel met een scherpe kartelrand. Hij broedt langs snelstromende rivieren en heldere meren in het naaldbos, en is vaak de laatste watervogel die in het najaar wegtrekt en de eerste die in het voorjaar terugkeert.
Geluid
Buiten het broedseizoen is de grote zaagbek overwegend stil. Het vrouwtje roept haar jongen met een hoog, snel kro-kro-kro bijeen, en geeft een schor grök bij dreiging. Het mannetje laat bij verstoring een hese roep horen en produceert tijdens de balts een klokkend of tokkelend geluid. In vlucht maken de vleugels een hol, ruisend geluid dat op grote afstand hoorbaar is.
Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · Tolpanniemi, Finland · xeno-canto
Herkenning
Het mannetje heeft een gladde, glanzend donkergroene kop zonder kuif, een witte romp met een vage zalmroze zweem, een zwarte rug en een lange, dunne, oranjerode snavel met een scherpe kartelrand. Het vrouwtje is grijs met een rijk roodbruine, sluike kuif en een scherp begrensd wit keelveld dat abrupt overgaat in de kop — een duidelijk verschil met de middelste zaagbek. Beide geslachten hebben rode ogen en dezelfde smalle zaagsnavel. De grote zaagbek is fors gebouwd met een dikke hals, en vliegt in rechte lijnen laag over het water met een snelle, krachtige vleugelslag.
Verwarringssoorten
Het vrouwtje wordt het vaakst verward met dat van de middelste zaagbek (Mergus serrator): bij de grote zaagbek loopt de roodbruine kop met een scherpe grens over in een zuiver wit keelveld, terwijl die grens bij de middelste zaagbek geleidelijk vervaagt. De grote zaagbek is bovendien fors gebouwd met een dikke hals, tegenover de slankere bouw van de middelste zaagbek. De kokardezaagbek (Lophodytes cucullatus) is veel kleiner en heeft een korte, donkere snavel zonder de lange kartelrand van de andere twee zaagbekken.
Leefgebied
Hij broedt langs snelstromende rivieren en heldere meren in volwassen naaldbos, waar oude bomen met holtes voor de nestplek onmisbaar zijn. Hij jaagt vooral op vis — zalm en forel voorop — aangevuld met waterinsecten, kikkers en soms kleine zoogdieren of vogels. In de winter verzamelt hij zich op grote, ijsvrije meren, rivieren en stuwmeren, met een voorkeur voor zoet water boven zout, al gebruikt hij langs de kust ook beschutte baaien.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedt over vrijwel het hele boreale Noord-Amerika, van Alaska tot Newfoundland, zuidwaarts tot in de bergen van het westen van de Verenigde Staten. Aan de westkust, van Brits-Columbia tot Californië, is hij grotendeels standvogel; in het binnenland trekken de meeste vogels weg zodra hun water dichtvriest, naar grote, ijsvrije wateren in het zuiden van de Verenigde Staten en het noorden van Mexico. Kustbewoners verplaatsen zich daarbij maar kort, terwijl binnenlandse vogels veel verder kunnen trekken.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem op heldere rivieren en grote meren in het naaldbos, waar groepjes vaak achter elkaar stroomafwaarts zwemmen en gezamenlijk op vis jagen. In de winter concentreren grote groepen zich op de laatste ijsvrije wateren, vaak pas als bijna alles eromheen is dichtgevroren.
Staat van instandhouding
Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de Noord-Amerikaanse populatie op bijna 1,9 miljoen broedvogels, met stabiele aantallen tussen 1966 en 2019 — de soort geldt als niet bedreigd (LC). Omdat hij afhankelijk is van oude bomen met holtes langs schone, visrijke rivieren, is bosbouw die dat soort oeverbos laat staan voor hem van blijvend belang.
Wetenschappelijke naam
Mergus merganser | Linnaeus, 1758
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Mergus Merganser, in hetzelfde geslacht waarin ze nu nog staat, vandaar geen haakjes om auteur en jaartal. Mergus is Latijn voor 'duiker', een naam die de Romeinse schrijver Plinius al gebruikte voor een duikende watervogel; merganser is een samentrekking van mergus en anser, Latijn voor 'gans' — letterlijk dus 'duikgans', naar de forse bouw. De typelocatie ligt in Europa, in 1761 door Linnaeus zelf beperkt tot Zweden.




