Alle soorten › Eendachtigen › Eenden, ganzen en zwanen › IJslandse brilduiker

IJslandse brilduiker | Bucephala islandica

Barrow's Goldeneye | Porrón islándico

De IJslandse brilduiker is de vogel van de wilde bergwateren van het noordwesten: een gedrongen duikeend met een hoekige, hoog oplopende kop, die zijn naam dankt aan IJsland maar vrijwel volledig een Noord-Amerikaanse soort is. Het mannetje draagt een glanzend paarse in plaats van groene kop en een sikkelvormige in plaats van ronde witte wangvlek, de belangrijkste verschillen met zijn nauwe verwant, de brilduiker. Twee ver uiteen liggende broedgebieden — de westelijke bergen en het noorden van Quebec en Labrador — en een geïsoleerde populatie op IJsland zelf vormen samen zijn hele areaal.

IJslandse brilduiker (Bucephala islandica)
Foto: Greg Schechter — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

In de balts laat het mannetje een laag, grommend of knorrend geluid horen, zachter en minder scherp dan de schrapende baltsroep van de brilduiker. Net als bij die soort maken de vleugels in vlucht een luid, fluitend geluid, waaraan beide brilduikers in het Engels hun bijnaam 'whistler' ontlenen. Buiten de balts is de soort overwegend stil; het vleugelgeluid is dan vaak het eerste teken van een overvliegende groep.

Luister: RoepXC381532

Opname: Walter Szeliga — CC BY-NC-SA 4.0 · Washington (near Ellensburg), Kittitas County, Washington, United States · xeno-canto

Herkenning

Het mannetje is zwart-wit met een glanzend paarse kop, een sikkelvormige witte vlek vlak voor het oog, en een rij losse witte vlekken op de verder zwarte rug en schouders, in plaats van het aaneengesloten witte rugveld van de brilduiker. De steile, hoge schedel en de korte, stompe snavel geven de kop een hoekig, bijna vierkant profiel. Het vrouwtje is grijsbruin met een chocoladebruine kop en een snavel die vaker en feller geel-oranje kleurt dan bij het vrouwtje brilduiker, maar het betrouwbaarste kenmerk blijft ook bij haar de steile schedel en de korte snavel. Juveniele vogels lijken op het vrouwtje.

Verwarrings­soorten

De brilduiker (Bucephala clangula) is de enige echte verwarringssoort: let bij het mannetje op de kleur van de kopglans (paars tegenover groen), de vorm van de witte wangvlek (sikkel tegenover rond) en het rugpatroon (losse vlekken tegenover een aaneengesloten wit veld), en bij beide seksen op de steilere schedel en de kortere, stompere snavel van de IJslandse brilduiker. De buffelkopeend is aanzienlijk kleiner en heeft een driehoekige in plaats van sikkelvormige kopvlek die van achter het oog tot in de nek doorloopt. Gemengde groepen van beide brilduikers komen 's winters op dezelfde wateren voor, wat vergelijken ter plekke vaak de snelste manier is om het verschil te leren zien.

Leefgebied

Broedt aan heldere, koude bergmeren, rivieren en bevermoerassen in en boven de boomgrens, waar hij voor het nest afhankelijk is van holtes in oude loofbomen dicht bij het water of, noordelijker, van rotsspleten. Buiten het broedseizoen is hij vooral een vogel van rotsige kustwateren en beschutte baaien, waar hij tussen kelpvelden en op mosselbanken duikt naar schelpdieren; in het oosten van zijn areaal gebruikt hij ook de wadplaten en beschutte wateren van grote riviermondingen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

De westelijke broedpopulatie strekt zich uit van zuidelijk Alaska door Brits-Columbia en de Cascades tot in de bergen van Oregon, met kleine, geïsoleerde broedgroepen in Wyoming en Colorado; een aparte, veel kleinere oostelijke populatie broedt in het noordelijke naaldbos van Quebec, ten noorden van de Sint-Lawrencerivier, en in Labrador. Overwintert in het westen langs de Grote Oceaankust van zuidelijk Alaska tot in Midden-Californië, en in het oosten voor het grootste deel in en rond de monding van de Sint-Lawrencerivier, met kleinere aantallen verder langs de kust van de Atlantische provincies tot in Maine. Los van dit Noord-Amerikaanse areaal broedt een derde, niet-trekkende populatie op IJsland, de enige plek buiten het continent waar de soort voorkomt.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek de westelijke populatie in de zomer op heldere bergmeren boven de elfenbosgrens, en in de winter tussen groepen brilduikers in rotsige baaien langs de Grote Oceaankust; in het oosten is de beste kans in de winter op de wadplaten en in de baaien rond de monding van de Sint-Lawrencerivier. Vergelijk bij twijfel de kopvorm en het rugpatroon met een brilduiker in dezelfde groep.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC), maar met een aanmerkelijk kleinere en meer verspreide populatie dan de brilduiker; de oostelijke populatie telt naar schatting maar enkele duizenden vogels en wordt in Canada apart gevolgd. Omdat de soort afhankelijk is van heldere bergwateren en specifieke nestholtes, gelden aantasting van bergmeren en het verdwijnen van oude, holle bomen als de belangrijkste risico's voor het westelijke deel van de populatie.

Wetenschappelijke naam

Bucephala islandica | (Gmelin, 1789)

Johann Friedrich Gmelin beschreef de soort in 1789 als Anas islandica, bij de eenden; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Bucephala werd in 1858 ingevoerd door Spencer Fullerton Baird, uit het Griekse bous, 'os', en kephale, 'kop' — 'oskop', naar de hoekige, bolle kop van deze eenden. De soortnaam islandica is Latijn voor 'van IJsland', naar het eerst beschreven exemplaar; de typelocatie ligt dan ook op IJsland, ook al broedt verreweg het grootste deel van de soort duizenden kilometers verderop, in Noord-Amerika.