Alle soortenEendachtigenEenden, ganzen en zwanen › Knobbelzwaan

Knobbelzwaan | Cygnus olor

Mute Swan | Cisne vulgar

De knobbelzwaan is in Noord-Amerika geen inheemse vogel maar een import: eind negentiende eeuw als sierwatervogel uit Europa aangevoerd voor landgoederen en stadsparken, ontsnapten en verwilderden de eerste vogels en vestigde de soort zich langs de hele Atlantische kust. De oranje snavel met de zwarte knobbel aan de basis en de hals die hij in een boog draagt, onderscheiden hem meteen van de drie inheemse zwanen in deze gids, die allemaal een zwarte snavel hebben. In delen van zijn nieuwe areaal geldt hij inmiddels als invasief en wordt hij actief teruggedrongen.

Knobbelzwaan (Cygnus olor)
Foto: W. Bulach — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Anders dan de naam doet vermoeden is de knobbelzwaan niet stom, maar wel de stilste van de vier zwanen in deze gids: geen van de verre, klaroenachtige roepen van de inheemse soorten, maar een laag gegrom, een sissend hshhh bij dreiging en een kort, blaffend hoerd tussen partners. Veel opvallender dan de roep is het geluid van de vleugels: bij elke slag geeft de vorm van de handpennen een ritmisch, zingend gezoem, woef-woef-woef, waarmee een overvliegende troep zich op honderden meters verraadt voordat je hem ziet. Bij verstoring blaast hij met opgezette veren en een teruggetrokken hals, een dreiging die eerder aan een sissende gans doet denken dan aan een andere zwaan.

Luister: RoepXC730790

Opname: Sonothèque ADVL — CC0 · Sougéal, Ille-et-Vilaine, Bretagne, France · xeno-canto

Herkenning

Volwassen vogels zijn geheel wit met een oranje snavel, een zwarte knobbel aan de snavelbasis en zwarte huid tussen snavel en oog. De knobbel is bij het mannetje groter dan bij het vrouwtje en zwelt in het broedseizoen verder op. De hals draagt hij karakteristiek in een S-bocht, en bij dreiging of baltsgedrag zet hij de vleugels hoog boven de rug op terwijl hij zwemt, een houding die bij geen van de andere zwanen voorkomt. Het jong is grijsbruin met een grijsroze snavel zonder knobbel en groeit pas in het tweede levensjaar naar het volwassen kleed toe; sommige populaties bevatten ook een witte kleurvorm die als kuiken al wit is met een grijze snavel. De steil oplopende voorhoofdslijn met de knobbel geeft ook in silhouet houvast tegenover de rechte kopprofielen van de andere zwanen.

Verwarrings­soorten

De trompetzwaan en de fluitzwaan hebben beide een geheel zwarte snavel zonder knobbel, en de wilde zwaan draagt geel op de snavelbasis; geen van de drie zwemt met de vleugels opgezet of houdt de hals in een boog zoals de knobbelzwaan. Een jonge knobbelzwaan mist de oranje snavel nog en kan van veraf op een jonge fluitzwaan lijken, maar de vlakke, grijsroze snavel zonder gele vlek en de zwaardere, hoekiger kopvorm blijven onderscheidend. Op naam afgaan gaat sneller dan op kleur: waar de knobbelzwaan voorkomt is hij vrijwel altijd de enige zwaan op parkvijvers en stedelijk water.

Leefgebied

Hij zoekt ondiep, voedselrijk zoet en licht brak water met veel waterplanten: parkvijvers, meren, trage rivieren en beschutte baaien, met een zwaartepunt op de estuaria van de Chesapeake Bay. Snelstromend water en de open zee mijdt hij vrijwel geheel. Als planteneter graast hij ondergedoken vegetatie zo intensief af dat hij op sommige plekken de waterbodem kaal maakt, wat een van de redenen is waarom hij als schadelijk wordt gezien. Stedelijk groen met open water, van een golfbaanvijver tot een stadspark, gebruikt hij zonder aarzelen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

De eerste vogels ontsnapten in 1916 in New Jersey en in 1919 op Long Island, New York, uit particuliere collecties; binnen een eeuw breidde de soort zich uit tot een aaneengesloten areaal langs de Atlantische trekroute, van zuidelijk Ontario tot North Carolina, met de zwaarste concentraties op Long Island en in de Hudsonvallei. Onafhankelijk daarvan vestigde zich een tweede, grote populatie rond de Grote Meren, vooral in Michigan, waar de aantallen in de jaren 2000 tot ruim tienduizend vogels opliepen en de staat sindsdien actief ingrijpt. Trek in de eigenlijke zin kent de soort in Noord-Amerika nauwelijks: de vogels blijven het hele jaar in hetzelfde gebied en verplaatsen zich alleen lokaal wanneer water dichtvriest.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem op vrijwel elke vijver of elk meer met openbare toegang in het noordoosten of rond de Grote Meren; waar hij voorkomt is hij zelden te missen. Nadert een vogel met de hals teruggetrokken en de vleugels hoog opgezet, houd dan afstand: dat is een territoriale dreighouding, vooral rond het nest in het voorjaar.

Staat van instandhouding

In grote delen van zijn Noord-Amerikaanse areaal geldt de knobbelzwaan als invasief en niet-beschermd: staten als New York, Michigan en Maryland voeren beheerprogramma's met het weghalen van eieren of het afschieten van vogels, omdat de soort inheemse watervogels van broedplaatsen verdringt en waterplanten wegvreet. Ondanks dat ingrijpen blijven lokale populaties, vooral rond de Grote Meren, in de duizenden lopen.

Wetenschappelijke naam

Cygnus olor | (Gmelin, 1789)

Gmelin beschreef de soort in 1789 als Anas olor, bij de eendachtigen; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Cygnus werd in 1803 ingevoerd door Bechstein. De soortnaam olor is zelf al klassiek Latijn voor 'zwaan', naast het van het Grieks afgeleide cygnus; de wetenschappelijke naam zegt dus tweemaal hetzelfde. De typelocatie ligt in Rusland, in Siberië en aan de Perzische kust van de Kaspische Zee.