Alle soorten › Eendachtigen › Eenden, ganzen en zwanen › Zwartbuikfluiteend
Zwartbuikfluiteend | Dendrocygna autumnalis
Black-bellied Whistling-Duck | Suirirí piquirrojo
De zwartbuikfluiteend combineert een lange, felroze snavel en een grijs gezicht met een kastanjebruine borst en een zwarte buik — een tekening die geen andere eend in dit gebied heeft. Hij loopt op ongewoon lange, roze poten, klimt in bomen en broedt in boomholtes, eigenschappen die meer aan een gans doen denken dan aan een eend. Sinds het midden van de twintigste eeuw is zijn areaal in de Verenigde Staten fors uitgebreid, van het uiterste zuiden van Texas tot ver naar het noorden en oosten.
Geluid
De roep is een zacht, hoog fluitsignaal met een lange eerste noot gevolgd door een reeks kortere: wie-tsjie-tsjie-tsjie. Hij klinkt zowel in de vlucht als staand of zwemmend, en verraadt de vogel vaak voor hij te zien is — vooral 's nachts, wanneer troepen roepend van de slaapplaats naar de voedselplekken trekken. In de vlucht komt daar een droger tsjit-tsjit-tsjit bij, en bij het opvliegen een kort jip. Beide geslachten roepen evenveel; er is geen stil geslacht zoals bij de meeste eenden.
Opname: Contina Lab at UTRGV Brownsville — CC BY 4.0 · UTRGV Brownsville, Cameron County, Texas, United States · xeno-canto
Herkenning
Mannetje en vrouwtje zijn gelijk getekend: een grijs gezicht en een lange, felroze snavel boven een kastanjebruine borst en rug, met een egaal zwarte buik en zwarte staart. In de vlucht toont de vleugel een brede witte baan over overwegend zwarte slagpennen, een van de duidelijkste kenmerken van de soort. De poten zijn opvallend lang en roze en steken in de vlucht ver voorbij de staart uit — geen andere eend in deze gids heeft dat silhouet. Jonge vogels zijn doffer, met een grijze in plaats van roze snavel en een lichtbruine in plaats van zwarte buik, waardoor het contrast tussen boven- en onderdelen veel minder is dan bij de volwassen vogel. Het lichaam wordt langer en rechtopper gedragen dan bij de meeste eenden, op een lange hals die aan een kleine gans doet denken.
Verwarringssoorten
De rosse fluiteend (Dendrocygna bicolor) is de andere fluiteend van dit gebied en overlapt in leefgebied: hij mist het grijze gezicht en de zwarte buik volledig, is overal egaal kaneelkleurig met een donkere in plaats van roze snavel en poten, en toont in de vlucht een witte band over de stuit in plaats van over de vleugel. Jonge zwartbuikfluiteenden zijn lastiger: ze missen de zwarte buik van de volwassen vogel, maar hun grijze snavel en de rest van de tekening blijven hen van een rosse fluiteend onderscheiden. De muskuseend, die in delen van hetzelfde gebied als verwilderde vogel voorkomt, is veel forser en zwaarder gebouwd, met een naakt, gezwollen gezicht en zonder de lange roze poten.
Leefgebied
Hij zoekt ondiep zoet water met waterplanten — vijvers, greppels en meertjes met waterhyacint of lisdodde — naast open gras en akkerland waar hij 's nachts foerageert op mais, rijst en sorghum. Voor de nestholte is hij aangewezen op oude bomen: mesquite, hakkenbos, wilg en groenblijvende eik langs het water, of nestkasten waar die zijn opgehangen. Gazons, golfbanen en parkvijvers in steden gebruikt hij net zo makkelijk als natuurlijk moeras, zolang er dekking en een boom in de buurt zijn. Gesloten, boomloos akkerland zonder open water mijdt hij, en in het zuiden van zijn areaal gebruikt hij ook mangrove en lagunes.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Standvogel van het uiterste zuiden van Texas en van Florida tot diep in Mexico, Midden-Amerika en Zuid-Amerika tot in Ecuador, Peru en het noorden van Argentinië; in Louisiana en het zuidoosten van Arizona broedt hij vooral in de zomer. In de twintigste eeuw was hij in de Verenigde Staten beperkt tot de uiterste zuidrand van Texas; sindsdien heeft hij zich geleidelijk noord- en oostwaarts uitgebreid, geholpen door warmere winters, stuwmeertjes en nestkastprogramma's, met een zelfstandige populatie die sinds de jaren vijftig ook in Florida is gevestigd. Twee ondersoorten worden onderscheiden: de grotere, bruinborstige Dendrocygna autumnalis fulgens van zuidoost-Texas tot Panama, en de kleinere, grijsborstige Dendrocygna autumnalis autumnalis zuidelijker, die in Panama in elkaar overgaan. Verder noordelijk, tot in de meeste staten van het binnenland, verschijnt hij inmiddels ook als onregelmatige dwaalgast.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem bij zonsondergang op een vijver bij een golfbaan of park in Zuid-Texas: troepen komen daar roepend samen voor ze naar de voedselplekken vertrekken, en het fluitsignaal draagt ver over open water. Overdag zitten de vogels vaak stil in bomen aan de waterkant of op een hek of stroomdraad, iets wat bij geen andere eend zo gewoon is.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd en in aantal toenemend: de wereldwijde broedpopulatie wordt geschat op ongeveer een miljoen vogels, met een toename van ruim zes procent per jaar sinds 1966. Nestkasten, stuwmeertjes en golfbaanvijvers hebben de soort eerder geholpen dan geschaad. De belangrijkste verliezen liggen bij het nest en het kuiken: wasberen en slangen roven eieren, en vuurmieren en vis nemen jongen.
Wetenschappelijke naam
Dendrocygna autumnalis | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Anas autumnalis, bij de eenden in de brede zin die hij toen hanteerde, met als vindplaats simpelweg 'Amerika'; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Dendrocygna werd in 1837 ingevoerd door William Swainson voor de fluiteenden, uit het Griekse dendron, 'boom', en cygnus, 'zwaan' — 'boomzwaan', naar de neiging om in bomen te zitten en naar de lange hals en poten die meer aan een zwaan of gans doen denken dan aan een eend. autumnalis is Latijn voor 'herfstig', naar het seizoen van het typemateriaal.




