Alle soorten › Eendachtigen › Eenden, ganzen en zwanen › Wilde zwaan
Wilde zwaan | Cygnus cygnus
Whooper Swan | Cisne cantor
De wilde zwaan is een Euraziatische soort die Noord-Amerika alleen aan de rand bereikt: in de westelijke Aleoeten, op eilanden die dichter bij Kamtsjatka liggen dan bij het Alaskaanse vasteland. In 1996 en 1997 broedde er voor het eerst een paar op Attu, de meest westelijke van de Near Islands, het enige bevestigde broedgeval op Amerikaanse bodem. Verder dan de Aleoeten en het uiterste westen van Alaska komt hij zelden, en dan als op zichzelf staande dwaalgast.
Geluid
De soortnaam is een eigen klanknabootsing: een luid, schallend ahng-ahng-ahng of whoop-whoop, lager en voller dan de fluitzwaan maar met minder metalig timbre dan de trompetzwaan. Troepen roepen aanhoudend in de vlucht en bij het opstijgen, en op de rustplaats houden ze een laag, gedempt gegabbel in stand. Bij de balts strekken paren de hals omhoog en roepen ze in duet, met de snavel wijd open, een gedrag dat in de Aleoeten zelf zelden is waargenomen maar uit het Euraziatische deel van het areaal goed is gedocumenteerd.
Opname: Jochem Verweij — CC BY-SA 4.0 · Ögiy, O'giinuur, Arkhangai, Mongolia · xeno-canto
Herkenning
Een volwassen wilde zwaan is geheel wit met een zwarte snavel waarvan de basis over een groot deel geel is; het geel loopt in een wig tot voorbij het neusgat, duidelijk verder dan bij de fluitzwaan. De hals is lang en wordt recht gedragen, zonder de boog van de knobbelzwaan, en de kop heeft een vlak voorhoofd zonder de bult van die soort. Het jong is vuilgrijs met een roze snavelbasis die geleidelijk vergeelt, en bereikt pas in het tweede jaar het volwassen kleed. In de vlucht is de zwaan te herkennen aan de rechte hals en de gelijkmatige, iets trage vleugelslag die alle grote zwanen gemeen hebben.
Verwarringssoorten
De fluitzwaan heeft veel minder geel op de snavel, beperkt tot een kleine vlek voor het oog die bovendien niet bij elke vogel aanwezig is; de wilde zwaan heeft juist een uitgebreide gele wig die tot voorbij het neusgat reikt. De trompetzwaan mist elk geel en heeft een geheel zwarte snavel met een rechte, geleidelijk oplopende voorhoofdslijn. De knobbelzwaan heeft een oranje snavel met zwarte knobbel en een gebogen hals. Omdat alle vier de soorten elkaar in de Aleoeten en Alaska kunnen overlappen, is een zwaan daar zonder duidelijk zicht op de snavel niet met zekerheid op naam te brengen.
Leefgebied
In het Euraziatische deel van zijn areaal broedt de wilde zwaan op ondiepe meren en veenmoerassen in taiga en toendra en overwintert hij op estuaria, akkers en open water; het enige bevestigde Amerikaanse broedgeval op Attu vond plaats op een ondiepe toendrapoel, vergelijkbaar met het broedhabitat van de fluitzwaan. Vogels die 's winters in de Aleoeten verschijnen, worden vooral gezien op beschutte baaien en kustwateren tussen de eilanden. Boven de Amerikaanse begroeiing verder oostwaarts is hij vrijwel niet vastgesteld.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het broedareaal ligt in Scandinavië, IJsland en over de volle breedte van Siberië tot aan de Beringzee; de dichtstbijzijnde populaties broeden op Kamtsjatka en de Commandeurseilanden, op korte afstand van de westelijke Aleoeten. Vandaaruit steken enkele vogels jaarlijks over naar Attu en de Near Islands, waar ze 's winters in klein aantal worden gezien en waar in 1996-1997 het enige bevestigde broedgeval buiten Eurazië plaatsvond. Verder oostwaarts in Alaska en zuidwaarts langs de Pacifische kust tot in Californië zijn losse vogels vastgesteld, maar die aantallen zijn te laag en te onregelmatig om als vaste verspreiding te gelden; een deel van die zuidelijke waarnemingen betreft bovendien mogelijk ontsnapte vogels uit gevangenschap.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
De westelijke Aleoeten, met name Attu, zijn de enige plek in Noord-Amerika waar je een reële kans hebt op een wilde zwaan, en dan nog vooral in de winter; voor de meeste bezoekers van dit werelddeel is de soort praktisch onbereikbaar. Zie je verder naar het oosten of zuiden een zwaan die je voor een wilde zwaan houdt, controleer dan eerst zorgvuldig of het niet om een ontsnapte vogel uit een particuliere collectie gaat.
Staat van instandhouding
De wereldpopulatie is niet bedreigd en wordt in de honderdduizenden geschat, vrijwel geheel in Eurazië. Het Noord-Amerikaanse aandeel is zo klein en zo marginaal dat het voor de instandhouding van de soort geen rol speelt; het is voor dit werelddeel eerder een grensgeval van het areaal dan een gevestigde populatie.
Wetenschappelijke naam
Cygnus cygnus | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Anas cygnus, bij de eendachtigen; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Cygnus werd in 1803 ingevoerd door Bechstein en is de latinisering van het Griekse kyknos, 'zwaan'; de soortnaam herhaalt die betekenis. De typelocatie is later beperkt tot Zweden, uit het brede oorspronkelijke gebied dat Linnaeus opgaf.



