Alle soortenEendachtigenEenden, ganzen en zwanen › Rosse stekelstaart

Rosse stekelstaart | Oxyura jamaicensis

Ruddy Duck | Malvasía canela

De rosse stekelstaart is een compacte, gedrongen duikeend met een dikke, spatelvormige snavel en een stijve staart die hij vaak rechtop draagt als een waaier. Het mannetje wisselt van een dof grijsbruin winterkleed naar een fel kastanjebruin broedkleed met een zwarte kruin, witte wangen en een helderblauwe snavel — een van de sterkste kleedwisselingen van alle Noord-Amerikaanse eenden. Hij broedt verspreid over de prairiemoerassen van het binnenland en overwintert in grote groepen op kustbaaien en stuwmeren door bijna het hele continent.

Rosse stekelstaart (Oxyura jamaicensis)
Foto: ALAN SCHMIERER — CC0 · Wikimedia Commons

Geluid

De soort is grotendeels stil; het enige geluid van het mannetje is een boertoon die hij tijdens de balts produceert. Bij de zogeheten 'bubbeldans' slaat hij zijn snavel snel tegen de opgeblazen, met lucht gevulde hals, waardoor een reeks belletjes in het water verschijnt, gevolgd door de laatste, boerende toon; tegelijk trapt hij met de poten op het water, wat een klappend geluid geeft, en houdt de staart rechtop. Het vrouwtje heeft meer stem: een nasale roep om de jongen te verzamelen, een hoge afwijzende roep naar ongewenste mannetjes, en een sissend geluid bij dreiging.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Het mannetje in broedkleed heeft een zwarte kruin tegen felwitte wangen, een egaal kastanjebruin lichaam en een opvallend hemelsblauwe snavel. Buiten de broedtijd wordt hetzelfde mannetje dof grijsbruin van boven en lichter van onder, met een grijze snavel, maar behoudt de zwarte kruin en de witte wang. Het vrouwtje en het onvolwassen mannetje zijn egaal bruinachtig met één vage donkere streep over de lichte wang en een donkere snavel. In alle kleden is de bovenvleugel egaal donker zonder enige lichte vlek, en de staart wordt stijf en vaak rechtop gedragen boven het water — het silhouet van een klein, gedrongen lichaam met een grote kop en een korte, dikke snavel is in elk kleed herkenbaar.

Verwarrings­soorten

De maskerstekelstaart (Nomonyx dominicus) is duidelijk kleiner, heeft een witte vlek op de vleugel die de rosse stekelstaart mist, en toont bij vrouwtje en niet-broedend mannetje twee donkere wangstrepen in plaats van één. Een niet-broedend mannetje of vrouwtje kan op grotere afstand voor een vrouwtje brilduiker of buffelkopeend doorgaan, maar beide hebben een spitsere snavel en missen de stijve, vaak opgerichte staart. Van de eiders, die in dit gebied veel groter en zwaarder zijn, onderscheidt de rosse stekelstaart zich al door zijn formaat en door zijn vrijwel altijd zoete of licht brakke leefomgeving.

Leefgebied

Hij broedt op ondiepe moerasmeren en poelen met dichte oevervegetatie, waar het nest twee tot vijfentwintig centimeter boven het water tussen lisdodde, biezen of gras hangt; ongeveer zesentachtig procent van de broedpopulatie zit in de prairiemoerassen van het noordelijke binnenland. Buiten het broedseizoen zoekt hij open water: kustbaaien, estuaria, stuwmeren en onbevroren meren, zowel zoet als brak. Voedsel haalt hij al duikend van de bodem, waarbij hij modder door de snavel zeeft op zoek naar larven van dansmuggen en andere ongewervelden; op trek en in de winter eet hij meer plantaardig materiaal.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Broedt van het zuiden van Alberta, Saskatchewan, Manitoba en het binnenland van Brits-Columbia zuidwaarts door de noordelijke Great Plains en het Intermountain West tot Californië, Arizona en New Mexico. Overwintert langs vrijwel de hele Amerikaanse kust en in het zuiden van het binnenland, met bekende concentraties in de Chesapeake Bay en Currituck Sound, en trekt door een groot deel van de tussenliggende staten. In het hoogland van centraal Mexico en in delen van Guatemala en El Salvador houdt een deel van de populatie zich het hele jaar op dezelfde plek op, niet-trekkend, net als op enkele Caraïbische eilanden.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek 's winters grote, dichte groepen kleine, laag op het water liggende eendjes op meren, stuwmeren en kustbaaien; een groep die vrijwel gelijktijdig duikt en ver van de duikplek weer boven komt, is typisch voor deze soort. Ook buiten het broedseizoen laat een mannetje soms zijn bubbeldans zien, wat de determinatie op afstand meteen beslecht.

Staat van instandhouding

De wereldwijde broedpopulatie wordt geschat op 1,3 miljoen vogels en was tussen 1966 en 2019 stabiel. De belangrijkste bedreigingen zijn verlies en aantasting van moeras in het prairiegebied en vervuiling van overwinteringswateren. Een apart hoofdstuk is de introductie in Groot-Brittannië, waar ontsnapte volièrevogels vanaf de late jaren vijftig een populatie vestigden die zich kruiste met de bedreigde witkopeend; een grootschalige bestrijdingscampagne bracht het Britse aantal terug van ongeveer 5500 vogels in 2000 tot minder dan honderd in 2014, en sinds 2016 verbiedt de Europese Unie invoer en vrijlating van de soort.

Wetenschappelijke naam

Oxyura jamaicensis | (Gmelin, 1789)

Gmelin beschreef de soort in 1789 als Anas jamaicensis, op basis van een eerdere beschrijving en plaat van John Latham uit 1785, met Jamaica als typelocatie; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Oxyura werd in 1828 ingevoerd door Charles Lucien Bonaparte, uit het Griekse oxys, 'scherp', en oura, 'staart' — 'scherpstaart', naar de stijve, spitse staartveren die de hele groep kenmerken. jamaicensis is nieuw Latijn voor 'van Jamaica'. Sinds de zuidelijke, in de Andes levende populatie als aparte soort wordt gezien (Oxyura ferruginea), kent de rosse stekelstaart geen ondersoorten meer; eerder werden beide als één, wijder verspreide soort ingedeeld.