Alle soorten › Eendachtigen › Eenden, ganzen en zwanen › Stellers eider
Stellers eider | Polysticta stelleri
Steller's Eider | Éider menor
De Stellers eider is de kleinste van de vier eidereenden en de enige die niet tot het geslacht Somateria behoort. Hij broedt in kleine aantallen op de toendra van noordelijk Alaska en in veel grotere aantallen in Siberië, en overwintert vrijwel geheel rond het Alaska-schiereiland en de Aleoeten. Van geen enkele Noord-Amerikaanse eendensoort is de laatste decennia zoveel terrein verloren gegaan: de Alaskaanse broedpopulatie geldt sinds 1997 als bedreigd.
Geluid
Stellers eiders roepen aanzienlijk minder dan de andere eidereenden. Het mannetje brengt bij de balts een zacht, mompelend gekir voort, vergelijkbaar met maar zachter dan het geluid van de eider, en zelden op afstand te horen. Het vrouwtje reageert met een zacht koea-haa of koeai. Buiten de balts bestaat het geluid vooral uit lage, grommende en blaffende klanken, en in de vlucht verraadt een fluitend geruis van de vleugels — vergelijkbaar met dat van brilduikers — de groep vaak eerder dan enig geluid uit de snavel.
Opname: Andrew Spencer — CC BY-NC-SA 4.0 · Gaswell Road, Barrow, North Slope Borough, Alaska, United States · xeno-canto
Herkenning
Het mannetje in broedkleed heeft een overwegend witte kop met een groene vlek op achterkruin en voor het oog, een oranjebruine borst en buik met een zwarte vlek op de flank, een zwarte halsring en een blauwzwarte rug met witte veerranden. De snavel en de kop zijn klein voor een eidereend, met een vlakke kruin en een korte, zware snavel. Het vrouwtje is warm kastanjebruin tot donkerbruin met een vage witte oogring, zonder de koptekening van het mannetje. Onvolwassen mannetjes lijken bleker bruin op het vrouwtje. In de vlucht toont het mannetje een grotendeels wit voorvleugelveld, het vrouwtje blauwzwarte slagpennen met een witte rand en witte ondervleugels.
Verwarringssoorten
De brileider (Somateria fischeri) is groter, met een steviger snavel en een geheel andere koptekening; verwarring komt vooral voor bij vrouwtjes en onvolwassen mannetjes, die op afstand bruin en ongetekend ogen. De harlekijneend is kleiner en heeft geen enkele vlek op de kop van het mannetje gemeen met de Stellers eider, maar in silhouet — klein, rond, met een korte snavel — kan een vrouwtje verwarring geven; let op de effen bruine, ongestreepte flanken van de Stellers eider tegenover de gevlekte flanken van de harlekijneend. Op de gemeenschappelijke overwinteringsplekken rond het Alaska-schiereiland zwemt de soort vaak in gemengde groepen met de brileider, wat het vergelijken vergemakkelijkt.
Leefgebied
Broedt op drassige arctische toendra met veel waterbies en hangende grassen, en kiest daarbinnen de iets drogere plekken met mos en korstmos voor het nest. Buiten het broedseizoen is de soort vrijwel geheel marien: na de rui in beschutte arctische lagunes trekken de Alaskaanse vogels naar de Aleoeten, waar ze overwinteren van Kodiak in het oosten tot Unalaska in het westen, in beschutte baaien en ondiep kustwater boven zeegrasvelden. Diep, open water en zoetwater buiten het broedseizoen mijdt hij.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het grootste deel van de wereldpopulatie broedt in noordwestelijk en noordoostelijk Siberië; in Noord-Amerika broedt slechts een klein, geïsoleerd aantal op de arctische kustvlakte van noordelijk Alaska. Vrijwel de gehele Noord-Amerikaanse populatie overwintert rond het Alaska-schiereiland en de Aleoeten; Siberische vogels overwinteren deels ook westwaarts tot het Kola-schiereiland en de Oostzee. De Alaskaanse broedpopulatie is sinds de jaren tachtig van de twintigste eeuw sterk ingekrompen en werd in 1997 als bedreigd onder de Amerikaanse Endangered Species Act (de soortenbeschermingswet) geplaatst.
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
De betrouwbaarste plek is de overwinteringsgroep rond het Alaska-schiereiland en de oostelijke Aleoeten, waar de soort van eind herfst tot in het voorjaar in beschutte baaien te vinden is, vaak tussen brileiders. Zoek naar het kleine formaat en de vlakke, ronde kop, en let bij mannetjes op de combinatie van witte kop met groene vlekken — een tekening die geen enkele andere Noord-Amerikaanse eend heeft.
Staat van instandhouding
Het rapport State of the Birds 2025 (het tweejaarlijkse Noord-Amerikaanse statusrapport) rekent de soort tot de kantelpuntsoorten met rood alarm: de wereldpopulatie is in vijftig jaar met meer dan de helft afgenomen, tot een geschatte tweehonderdduizend vogels, en de IUCN noemt de soort kwetsbaar (VU). De Alaskaanse broedpopulatie staat sinds 1997 als bedreigd te boek. Overbevissing, olie- en gaswinning in het broedgebied en verstrikking in visnetten gelden als de belangrijkste bedreigingen.
Wetenschappelijke naam
Polysticta stelleri | (Pallas, 1769)
Pallas beschreef de soort in 1769 als Anas stelleri, bij de eenden, naar een exemplaar dat op Kamtsjatka was verzameld; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Polysticta werd in 1836 ingevoerd door de Engelse natuuronderzoeker Thomas Eyton en is Grieks voor 'veelgevlekt', van polys, 'veel', en stiktos, 'gevlekt'. De soortnaam eert de Duitse ontdekkingsreiziger en natuuronderzoeker Georg Wilhelm Steller, die op Kamtsjatka en tijdens Berings tweede expeditie verzamelde. De typelocatie is het schiereiland Kamtsjatka, in het uiterste oosten van Rusland.



