Alle soorten › Eendachtigen › Eenden, ganzen en zwanen › Brileider
Brileider | Somateria fischeri
Spectacled Eider | Éider de anteojos
De brileider dankt zijn naam aan de brede, wit omrande ogen op het mannetje, die als een duikbril op een verder olijfgroene kop lijken geschilderd. Tot diep in de twintigste eeuw was van de soort na het broedseizoen elk spoor bijster; pas satelliettelemetrie in de jaren negentig onthulde dat vrijwel de hele wereldpopulatie overwintert in een handvol permanente wakken midden in het pakijs van de Beringzee. Op de Yukon-Kuskokwimdelta, van oudsher de kern van de Alaskaanse broedpopulatie, is de soort sinds de jaren zeventig sterk in aantal afgenomen.
Geluid
Het mannetje laat bij de balts een zwak, kreunend gekir horen, vergelijkbaar met maar zachter dan dat van andere eidereenden. Het vrouwtje reageert met een schor gekras. Buiten de balts is de soort overwegend stil, en op de overwinteringsplaats in het pakijs, ver van land en waarnemers, is er vrijwel nooit iemand om het te horen.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Het mannetje heeft de brede witte, zwart omrande oogvlekken die de soort zijn naam geven, op een verder olijfgroene en bruine kop; het lichaam is van boven wit en van onderen overwegend zwart, met een grote, hellende oranje snavel. Het vrouwtje is warm roodbruin met een fijne, donkere tekening over het hele lichaam en een vage, lichtbruine versie van de oogvlek van het mannetje, op een donkere in plaats van oranje snavel. De snavel is bij beide seksen zwaar, met bevedering die tot halverwege de snavel doorloopt. In grootte zit de soort tussen de zwarte zee-eend en de eider in.
Verwarringssoorten
De stellers eider (Polysticta stelleri) is kleiner en het mannetje mist de brede oogvlekken volledig; verwarring komt vooral voor bij vrouwtjes, die beide effen bruin zijn — let dan op de forsere snavel en de vage lichtbruine oogvlek van de brileider. Van de koningseider onderscheidt het mannetje zich meteen door de kleur: geen blauwgrijze kop met oranje snavelschild, maar wit-met-zwart met de karakteristieke bril. Vrouwtjes koningseider en brileider zijn lastiger te scheiden op afstand, maar de brileider is fijner en donkerder getekend, zonder de grovere, meer gebogen zwarte streping van de koningseider.
Leefgebied
Broedt op de toendra van westelijk Alaska en op de arctische kustvlakte, met een voorkeur voor kleine, met zegge begroeide eilandjes in ondiepe toendrameren, dicht bij de waterkant. Buiten het broedseizoen verdwijnt de soort vrijwel volledig in zee: na het verzamelen in kustlagunes trekt hij naar het pakijs van de noordelijke Beringzee, waar hij in vaste polynya's — permanente wakken tussen Sint-Laurenseiland en Sint-Matthew-eiland — tot enkele tientallen meters diep duikt naar schelpdieren op de zeebodem.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedt in twee gescheiden gebieden: de Yukon-Kuskokwimdelta in westelijk Alaska en de kust van de Beaufortzee in het noorden, en verder in Siberië van de Lenadelta tot Tsjoekotka. Nagenoeg de gehele wereldpopulatie overwintert in dezelfde polynya's in de noordelijke Beringzee, ongeacht waar de vogels hebben gebroed — een concentratie die pas in 1995 en 1996 met satellietzenders werd vastgesteld. De Amerikaanse broedpopulatie wordt geschat op drie- tot vierduizend paren, met de Russische populatie inmiddels aanzienlijk groter dan de Alaskaanse.
- Broedvogel (zomer)
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Deze soort is voor de meeste waarnemers vrijwel ontoegankelijk: de overwinteringsplaats ligt midden in het pakijs van de Beringzee, ver van elke kust. Op de broedplaats, met name op de Yukon-Kuskokwimdelta, is de beste kans in juni, wanneer de paren zich op de toendrameren vestigen; buiten Alaska en zonder een boot of vliegtuig naar het pakijs blijft de soort voor vrijwel iedereen onbereikbaar.
Staat van instandhouding
De IUCN noemt de soort gevoelig, en het State of the Birds-rapport van 2025 rekent hem tot de 'Red Alert Tipping Point'-soorten na een afname van meer dan de helft in vijftig jaar. Op de Yukon-Kuskokwimdelta, van oudsher het hart van de Alaskaanse broedpopulatie, is het aantal sinds de jaren zeventig met meer dan zesennegentig procent ingestort. De soort staat sinds 1993 als bedreigd op de Amerikaanse Endangered Species Act, en olie- en gaswinning nabij belangrijke broedgebieden als het Teshekpukmeer blijft een risico voor de toekomst.
Wetenschappelijke naam
Somateria fischeri | (Brandt, 1847)
Brandt beschreef de soort in 1847 als Fuligula (Lampronetta) Fischeri, in een ondergeslacht van de duikeenden; sindsdien is ze in een ander geslacht geplaatst, vandaar de haakjes om auteur en jaartal. Het geslacht Somateria werd in 1819 door Leach ingevoerd en is Grieks voor 'wollig lichaam', van soma, 'lichaam', en erion, 'wol' — een verwijzing naar het dikke dons van de eidereenden. De soortnaam eert de Duitse zoöloog Johann Gotthelf Fischer von Waldheim. De typelocatie is St. Michael, Alaska.



