Alle soorten › Eendachtigen › Eenden, ganzen en zwanen › Siberische taling
Siberische taling | Sibirionetta formosa
Baikal Teal | Cerceta del Baikal
De Siberische taling broedt uitsluitend in het oosten van Siberië en overwintert in grote aantallen in Oost-Azië; in Noord-Amerika is hij een echte zeldzaamheid, met Alaska als vrijwel enige plek waar hij ooit opduikt. Het mannetje draagt een van de meest ingewikkelde koptekeningen van alle eenden: crèmekleurige en zwarte banden die over de wang lopen als een golvend lint.
Geluid
Het mannetje laat een laag, knorrend geluidje horen, wat dieper en ruwer dan de meeste andere talingen. Het vrouwtje kwaakt zacht, vergelijkbaar met andere kleine talingen maar iets hoger van toon. In groepen op het water klinkt een zacht, gedempt gemompel, vooral tijdens het foerageren. Van zang is geen sprake; de meeste geluiden dienen om contact binnen de groep te houden.
Opname: Albert Lastukhin — CC BY-NC-SA 4.0 · Sibirtsevo, Chernigovskiy rayon, Primorskiy kray, Russian Federation · xeno-canto
Herkenning
Het mannetje in prachtkleed heeft een gebandeerde kop: een crèmekleurige vlek rond het oog en op de wang, omlijnd met zwarte en groene banden die samen een sikkelvormig patroon vormen, met een gespikkelde roze-achtige borst en grijze flanken met een verticale witte streep aan de schouder. Het vrouwtje is egaal gestreept bruin zoals de meeste vrouwtjestalingen, maar heeft een kenmerkende lichte vlek aan de snavelbasis en een vage lichte oogring. In de vlucht toont hij een groene spiegel met een smalle bruine voorrand, minder blauw dan bij de Noord-Amerikaanse talingen.
Verwarringssoorten
Het mannetje in prachtkleed is door zijn gebandeerde kop met geen enkele andere Noord-Amerikaanse eend te verwarren. Het vrouwtje lijkt op een vrouwtje zomertaling (Spatula querquedula) en op een vrouwtje wintertaling, maar heeft een duidelijker afgetekende lichte vlek aan de snavelbasis, een kenmerk dat bij de andere twee vrijwel ontbreekt.
Leefgebied
Broedt in taigamoeras en vochtige toendra van Oost-Siberië; overwintert op ondiepe zoetwatermeren, stuwmeren en rijstvelden in Oost-Azië, vaak in kolossale gemengde groepen. Als dwaalgast in Noord-Amerika wordt hij aangetroffen op ondiepe toendravijvers en kustmoerassen van de westelijke Aleoeten en de eilanden in de Beringzee, meestal tussen andere eendensoorten.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedt uitsluitend in het noorden en oosten van Siberië en overwintert vrijwel geheel in Japan, Korea en het oosten van China, waar de wereldpopulatie zich in de winter concentreert op een handvol plekken. Noord-Amerika ligt ver buiten dit areaal; de soort wordt er slechts incidenteel gezien, vooral op de westelijke Aleoeten en de eilanden in de Beringzee van Alaska tijdens de voor- en najaarstrek, wanneer een enkele vogel meelift met een verkeerde trekrichting.
Waar en wanneer kijken
De beste, en vrijwel enige, kans in Noord-Amerika ligt op de westelijke Aleoeten of de eilanden in de Beringzee tijdens de voorjaarstrek in mei — controleer daar elke groep eenden zorgvuldig, want de soort duikt hier hooguit een enkele keer per jaar op.
Staat van instandhouding
De wereldpopulatie kromp in de twintigste eeuw tot een paar duizend vogels door jacht en verstoring op de overwinteringsplekken, maar is sinds de bescherming van sleutelgebieden in Korea sterk hersteld tot ver over het miljoen — een van de duidelijkste herstelverhalen onder de eenden; de soort is nu niet bedreigd (LC). Omdat de winterpopulatie nog steeds op enkele plekken samenklontert, blijft de soort daar kwetsbaar voor verstoring of een plotselinge ramp.
Wetenschappelijke naam
Sibirionetta formosa | (Georgi, 1775)
Georgi beschreef de soort in 1775 als Anas formosa, in het toenmalige verzamelgeslacht van bijna alle eenden; sindsdien is ze in het eigen geslacht Sibirionetta geplaatst, vandaar de haakjes om auteur en jaartal. De naam Sibirionetta verbindt Siberië, waar de soort uitsluitend broedt, met het Griekse woord voor eend. formosa is Latijn voor 'welgevormd' of 'aantrekkelijk', naar de koptekening van het mannetje. De typelocatie is het Baikalmeer.


