Alle soorten › Eendachtigen › Eenden, ganzen en zwanen › Topper

Topper | Aythya marila

Greater Scaup | Porrón bastardo

De topper is de enige toppersoort die zowel in Noord-Amerika als in Europa en Azië broedt, hoog in de arctische toendra, en overwintert in dichte groepen langs beide kusten van Noord-Amerika. Op het water is hij vrijwel niet te onderscheiden van zijn kleinere naamgenoot, de kleine topper (Aythya affinis); wie de twee uit elkaar wil houden, kijkt vooral naar de vorm van de kop.

Topper (Aythya marila)
Foto: https://www.flickr.com/photos/23005733@N00 — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Mannetjes en vrouwtjes zijn het grootste deel van het jaar stil en laten zich vooral in de balts horen. Het mannetje brengt dan een zacht, nasaal fluitje voort. Het vrouwtje laat een schor, rasperig arr-arr-arr horen, meestal terwijl ze de hals strekt of wanneer ze schrikt — een geluid dat het hele jaar door te horen is, ook in de grote overwinteringsgroepen.

Luister: RoepXC142583

Opname: Andrew Spencer — CC BY-NC-SA 3.0 · Kuzitrin River Bridge, Kougarok Road, Nome Census Area, Alaska, United States · xeno-canto

Herkenning

Het mannetje in prachtkleed is zwart-wit met een groenige glans op de kop, een blauwgrijze snavel met zwarte nagel en een geel oog; van dichtbij is de rug fijn zwart-wit gestreept. Buiten het broedseizoen is hij dof bruingrijs gevlekt met een zwartachtige kop. Het vrouwtje is bruin met een donkerder kop en een witte vlek bij de snavelbasis, in de zomer vaak met een lichte vlek achter het oog. Het kenmerk bij uitstek is de kop: gelijkmatig rond, zonder de achterwaartse piek van de kleine topper. In de vlucht loopt de witte vleugelstreep vrijwel tot de vleugelpunt door.

Verwarrings­soorten

De kleine topper (Aythya affinis) lijkt verreweg het meest op deze soort: beide zijn zwart-wit met geel oog en bijna even groot, en het verschil zit vooral in de kopvorm — rond bij de topper, gepiekt bij de kleine topper — en in de vleugelstreep, die bij de kleine topper op de handpennen ophoudt. De topper houdt daarnaast meer van de kust en de kleine topper meer van binnenwateren, al overlapt dat genoeg om er niet blind op te varen. De kuifeend (Aythya fuligula) is kleiner en draagt een duidelijke kuif die de topper mist.

Leefgebied

Als broedvogel broedt hij op eilandjes in grote, ondiepe arctische meren en op moerassige toendra, waar hij zijn nest verstopt tussen laag struikgewas. Buiten het broedseizoen is hij vooral een kustvogel: hij overwintert in beschutte baaien, estuaria en op de Grote Meren, en duikt daar tot ruim twintig meter diep naar schelpdieren op de bodem. Open, ondiepe zeewateren met een zachte of schelpenbodem hebben de voorkeur boven zoetwatermoeras, dat hij grotendeels mijdt.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

De topper is de enige circumpolaire toppersoort: hij broedt op de toendra van Alaska, waar zo'n driekwart van de Noord-Amerikaanse populatie zit, en verder in het noorden van Yukon, Manitoba en Saskatchewan, op Newfoundland en Labrador en rond Hudson- en Ungavabaai. In de winter trekt hij naar beide kusten van Noord-Amerika, van Brits-Columbia tot Neder-Californië in het westen en van Nova Scotia tot Florida in het oosten, met extra concentraties op de Grote Meren en aan de Golf van Mexico; in de Aleoeten blijft een deel van de populatie het hele jaar. Areaalveranderingen zijn beperkt gebleven, al zijn er in delen van het winterareaal minder vogels geteld dan enkele decennia geleden.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem 's winters op een open, beschutte baai of op het meerachtige water van de Grote Meren, eerder dan op een klein binnenmeer waar de kleine topper de overhand heeft. Vergelijk bij twijfel de kop van meerdere vogels naast elkaar: een gelijkmatig ronde schedel zonder piek is bij de topper vrijwel altijd te zien, ook zonder dat het licht meewerkt voor de groenige glans.

Staat van instandhouding

De soort is niet bedreigd (LC), met een grote populatie die in delen van het areaal stabiel is en elders licht afneemt. Zoals bij andere schelpdiereters die diep duiken, is vervuiling van kustwateren, waaronder olie, een risico, naast het historische probleem van loodvergiftiging door ingeslikte hagel. Voor Noord-Amerika zijn de aanwijzingen voor een duidelijke, aanhoudende achteruitgang niet eenduidig.

Wetenschappelijke naam

Aythya marila | (Linnaeus, 1761)

Linnaeus beschreef de soort in 1761 als Anas Marila, in de tweede druk van zijn Fauna Svecica, drie jaar na de eerste editie van zijn Systema Naturae; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Aythya werd in 1822 door Boie ingevoerd, naar het Oudgriekse aithuia, een bij Aristoteles genoemde zeevogel die nooit met zekerheid is geïdentificeerd. De soortnaam marila komt van het Oudgriekse marile, 'houtskoolas', een toespeling op de grijze rugtekening. De typelocatie ligt in Lapland.