Alle soortenEendachtigenEenden, ganzen en zwanen › Kleine topper

Kleine topper | Aythya affinis

Lesser Scaup | Porrón bola

De kleine topper is de talrijkste duikeend van Noord-Amerika en de eend die 's winters het verst naar het zuiden trekt van alle leden van zijn geslacht, tot in Colombia toe. Op het water is hij vrijwel niet te onderscheiden van zijn grotere naamgenoot, de topper (Aythya marila); het verschil zit vooral in de vorm van de kop.

Kleine topper (Aythya affinis)
Foto: Mike's Birds — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het mannetje is overwegend stil en laat tijdens de balts een zacht borrelend geluid en een zwak wie-o horen. Het vrouwtje is veel spraakzamer, met een schor, brommend gegrom en een rauw, blaffend geluid dat het hele jaar door te horen is, van de broedplaats tot de overwinteringsgebieden. Groepen op het water verraden zich in de winter dan ook eerder door het geluid van de vrouwtjes dan door dat van de mannetjes.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Het mannetje in prachtkleed is zwart-wit, met een paarse tot groene glans op de kop, een blauwgrijze snavel met zwarte nagel en een geel oog; rug en flanken zijn fijn zwart-wit gestreept. Buiten het broedseizoen is hij vaal bruingrijs met een donkere kop. Het vrouwtje is bruin met een donkerder kop en, niet bij elk exemplaar, een witte vlek bij de snavelbasis. Het belangrijkste kenmerk van de soort is de kop: een kleine, naar achteren geplaatste piek boven een vlakke achterkant, in tegenstelling tot de gelijkmatig ronde kop van de topper. In de vlucht loopt de witte vleugelstreep maar tot halverwege de vleugel door.

Verwarrings­soorten

De topper (Aythya marila) is het lastigste verwarringsgeval: beide soorten zijn zwart-wit met geel oog en van ongeveer dezelfde grootte, en het verschil zit vrijwel volledig in de kopvorm — rond bij de topper, met een piekje achter op de kruin bij de kleine topper — en in de vleugelstreep, die bij de topper doorloopt tot in de handpennen. De kleine topper houdt bovendien meer van binnenwateren, de topper meer van de kust, al is dat geen betrouwbaar veldkenmerk op zich. De kuifeend (Aythya fuligula), een zeldzame dwaalgast die zich vaak tussen groepen kleine topper ophoudt, heeft een duidelijke kuif die geen van beide toppers draagt.

Leefgebied

Als broedvogel gebruikt hij ondiepe binnenmeren en moerasplassen in de boreale en subarctische toendra, met voldoende dekking langs de oever voor het nest. Buiten het broedseizoen zoekt hij grote meren, stuwmeren, estuaria en beschutte kustlagunes op, en in het zuiden van zijn winterareaal ook aangelegde landbouwvijvers. Anders dan de topper duikt hij zelden op open zee wanneer er nog onbevroren zoet water beschikbaar is.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Het broedareaal loopt van Alaska door het westen van Canada tot Montana, met de grootste dichtheden in Alaska, de McKenzie-vallei en Old Crow Flats in de Yukon; oostelijk van de Grote Meren broeden er nog maar weinig. De trek verloopt overwegend via de centrale en de Mississippi-flyway, in groepen van enkele tientallen vogels. De kleine topper overwintert verder naar het zuiden dan enige andere topper- of tafeleendachtige: van de zuidelijke Verenigde Staten door Mexico, Midden-Amerika en de Caraïben tot in het noorden van Colombia, met grote concentraties bij Topolobampo in Sinaloa en de Ciénaga Grande de Santa Marta in Colombia.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek de kleine topper tussen andere duikeenden op een groot binnenmeer of stuwmeer, eerder dan op zee, en concentreer je op de vorm van de achterkop: een klein piekje wijst op de kleine topper, een gelijkmatige ronding op de topper. Op mengende groepen is dat verschil met een telescoop vaak beter te zien dan het kleurverschil.

Staat van instandhouding

Met een wereldpopulatie van naar schatting 3,8 miljoen broedvogels is de kleine topper de talrijkste duikeend van Noord-Amerika en niet bedreigd. Eerdere zorgen over een afname in de late twintigste eeuw, mogelijk gekoppeld aan voedselbeschikbaarheid op de trek, hebben niet tot een hogere IUCN-status geleid; verlies van ondiepe binnenwateren blijft het belangrijkste aandachtspunt.

Wetenschappelijke naam

Aythya affinis | (Eyton, 1838)

Eyton beschreef de soort in 1838 als Fuligula affinis, in dezelfde monografie over de eendenfamilie waarin hij ook de amerikaanse tafeleend beschreef; omdat ze sindsdien in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Aythya werd in 1822 door Boie ingevoerd, naar het Oudgriekse aithuia, een bij Aristoteles genoemde zeevogel die nooit met zekerheid is geïdentificeerd. De soortnaam affinis is Latijn voor 'verwant' of 'gelijkend', een verwijzing naar de sterke gelijkenis met de topper die de determinatie van deze soort tot op de dag van vandaag lastig maakt.