Alle soorten › Eendachtigen › Eenden, ganzen en zwanen › Toendrarietgans

Toendrarietgans | Anser serrirostris

Tundra Bean-Goose | Ánsar campestre de la tundra

De toendrarietgans broedt op de vlakke toendra van noordelijk Siberië, van de Petsjora tot voorbij de Kolyma, en trekt normaal naar Europa en Oost-Azië om te overwinteren. In Noord-Amerika is hij een schaarse dwaalgast: enkele vogels per jaar duiken op tussen de sneeuwganzen en kolganzen van de Beringzee-eilanden, meestal in mei. Zijn korte, zware snavel met een smal oranje bandje onderscheidt hem meteen van de nauw verwante taigarietgans.

Toendrarietgans (Anser serrirostris)
Foto: 邱文強 — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een diep, dragend gehonk, hoger en doordringender dan dat van de grauwe gans maar lager dan dat van de kolgans: een herhaald hank-hank of wink-wink, vaak in vlucht. De soort is over het algemeen stiller dan andere grauwe ganzen en wordt vaker gehoord dan gezien wanneer een troep 's nachts overvliegt. Op de grond klinkt tussen foeragerende vogels een zacht, nasaal gesnater. Alarmerende vogels steken de hals op en laten een korter, scherper geluid horen voor ze opvliegen.

Luister: VluchtroepXC1167898

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · Soppavann, Finland · xeno-canto

Herkenning

Een forse, donkere grauwe gans met een egaal donkerbruine kop en hals, een grijsbruine rug met lichte veerzomen die een geschubd patroon geven, en witte onderstaartdekveren. De snavel is kort, hoog aan de basis en overwegend zwart, met een smal, scherp begrensd oranje bandje; de poten zijn oranje. Mannetje en vrouwtje zijn gelijk getekend, het mannetje iets groter. Jonge vogels zijn doffer en missen de scherpe scheiding tussen het zwart en oranje op de snavel. In de vlucht valt de zware, ietwat gedrongen bouw op, met relatief korte, brede vleugels.

Verwarrings­soorten

De taigarietgans (Anser fabalis) is het grootste verwarringsrisico: die is langer van hals en snavel, met meer en vager begrensd oranje op de snavel, en oogt slanker in de vlucht. De kleine rietgans (Anser brachyrhynchus) is kleiner en compacter, met roze in plaats van oranje op snavel en poten. De kolgans (Anser albifrons), de grauwe gans van dit gebied, heeft een geheel oranje snavel zonder zwart en, bij volwassen vogels, een witte bles rond de snavelbasis. Op grote afstand, tussen troepen sneeuwganzen, valt vooral de donkere, egale kop-halstekening van de toendrarietgans op.

Leefgebied

Broedt op open, vochtige toendra met pollen, poelen en langzaam stromend water, waar de nesten op een droge verhoging tussen de natte laagtes liggen. Buiten het broedseizoen zoekt hij kortgrazig grasland en geoogst akkerland, vaak in gemengde troepen met andere grauwe ganzen, en slaapt hij op open water of beschutte kustwateren. Dichte taiga en bergterrein mijdt hij; de soort blijft aan de boomgrens of eronder. In Alaska en op de Beringzee-eilanden, waar hij als dwaalgast voorkomt, zoekt hij dezelfde combinatie van kustgraslanden en ondiepe poelen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Broedt op de Siberische toendra, van de Petsjora-delta in het westen tot Tsjoekotka in het oosten, verdeeld over twee ondersoorten die elkaar geografisch opvolgen. Winters brengt hij door in West-, Midden- en Oost-Europa en in Oost-Azië; dat gebied bereikt Noord-Amerika normaal niet. Sinds de jaren negentig wordt hij vrijwel jaarlijks in kleine aantallen gemeld op de Beringzee-eilanden en de westelijke Aleoeten, vrijwel steeds in de tweede helft van mei en incidenteel in het najaar — sporen van vogels die tijdens hun voorjaarstrek naar Siberië te ver oostwaarts zijn geraakt. Verder oostwaarts op het continent blijft hij een uitzonderlijke waarneming.

Waar en wanneer kijken

Zoek hem niet als losse vogel maar tussen troepen sneeuwganzen en kolganzen op de kustgraslanden van St. Paul Island of Sint-Laurenseiland, in de tweede helft van mei. Let op de korte, donkere kop-halstekening en de zware snavel met het smalle oranje bandje — bij twijfel is de vergelijking met een naaststaande taigarietgans, als die er is, het snelste onderscheid. Een enkele vogel tussen honderden ganzen wordt vaak over het hoofd gezien; loop de rand van de troep systematisch af.

Staat van instandhouding

De soort staat in de gegevens van deze gids als 'niet geëvalueerd (NE)', omdat de internationale Rode Lijst de status nog beoordeelt op het niveau van de vroegere, bredere soort Anser fabalis, waarvan de toendrarietgans pas later als aparte soort is afgesplitst. De Aziatische en Europese broedpopulaties samen worden op enkele honderdduizenden vogels geschat en gelden niet als bedreigd, al is de trend van de oostelijke ondersoort minder goed gedocumenteerd dan die van de westelijke. In Noord-Amerika telt de soort niet mee als gevestigde broedvogel en heeft instandhouding hier geen praktische betekenis.

Wetenschappelijke naam

Anser serrirostris | Gould, 1852

John Gould beschreef de soort in 1852 als Anser serrirostris, op basis van een vogel uit de omgeving van Shanghai; omdat ze sindsdien in hetzelfde geslacht is gebleven, staan auteur en jaartal niet tussen haakjes. Het geslacht Anser werd in 1760 ingevoerd door Brisson en is het Latijnse woord voor 'gans'. serrirostris is samengesteld uit het Latijnse serra, 'zaag', en rostrum, 'snavel', naar de zaagtandachtige lamellen aan de snavelrand. De typelocatie ligt in het huidige Shanghai, ver van het broedgebied: Gould kende alleen overwinterende vogels van Chinese markten toen hij de soort beschreef.