Alle soortenEendachtigenEenden, ganzen en zwanen › Maskerstekelstaart

Maskerstekelstaart | Nomonyx dominicus

Masked Duck | Malvasía enmascarada

De maskerstekelstaart is de kleinste stekelstaarteend van Amerika en tegelijk een van de moeilijkst waar te nemen eenden van het continent: hij zit verscholen in dicht watergewas en duikt bij het minste teken van gevaar liever weg dan dat hij opvliegt. Het volwassen mannetje draagt in het broedkleed een roestbruin lichaam met een zwart gezicht en een helderblauwe snavel; vrouwtjes en niet-broedende mannetjes zijn onopvallend gestreept bruin. Een populatie in het uiterste zuiden van Texas is de enige die zich buiten de tropen regelmatig laat zien.

Maskerstekelstaart (Nomonyx dominicus)
Foto: Félix Uribe — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De soort is voor een eend opvallend stil, en de roep wordt zelden gehoord omdat de vogel zich vrijwel nooit onbeschut laat zien. Wat bekend is, is een laag, zacht gebrom en een reeks zachte fluittonen; in de balts laat het mannetje een zacht, herhaald oe-oe-oe horen, meestal vanuit dekking. Het ontbreken van een dragende roep past bij een vogel die veiligheid zoekt in stilte en dekking in plaats van in de vlucht.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Het mannetje in broedkleed is roestbruin tot kastanjekleurig met een zwart gezicht en voorhoofd, een gemarmerde, donker gevlekte rug en flanken, en een opvallend helderblauwe snavel. Vrouwtjes, niet-broedende mannetjes en jonge vogels zijn gestreept lichtbruin met een lichte, okerkleurige kop waarover twee donkere strepen lopen — één door het oog, één lager over de wang — een tekening die geen enkele andere Noord-Amerikaanse eend heeft. Beide geslachten tonen in de vlucht een witte vlek op de vleugel, tegen een verder donkere bovenkant. De staart is kort, spits en stijf, kenmerkend voor de groep stekelstaarteenden waartoe de soort behoort, en met ruim dertig centimeter is dit de kleinste soort van die groep in de Nieuwe Wereld.

Verwarrings­soorten

De rosse stekelstaart (Oxyura jamaicensis) is duidelijk groter, mist de witte vleugelvlek volledig — de bovenvleugel is bij die soort egaal donker — en heeft bij het vrouwtje en het niet-broedende mannetje maar één donkere wangstreep in plaats van twee. Het mannetje van de rosse stekelstaart heeft eveneens een blauwe snavel in de broedtijd, maar draagt een zwarte kruin tegen een wit gezicht, nooit het volledig zwarte gezicht van de maskerstekelstaart. Een wegduikend vrouwtje kan op afstand voor een dodaars doorgaan, maar mist diens spitse snaveltje en de scherp gestreepte koptekening.

Leefgebied

Hij houdt zich op in dicht begroeid zoet water: moeras en vijvers met wortelende en drijvende waterplanten, vaak omgeven door dichte bomen of struiken, en ook in mangrovemoeras en overstroomde rijstvelden. Dekking is voor deze soort belangrijker dan open water: hij foerageert al duikend tussen de stengels en verdwijnt bij verstoring liever geleidelijk onder water dan dat hij wegvliegt. Open, onbegroeid water en droog land mijdt hij vrijwel volledig.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

In de Verenigde Staten alleen een kleine, plaatselijke standvogelpopulatie in de Rio Grande Valley in het uiterste zuiden van Texas, met naar schatting enkele duizenden vogels; elders in het land, tot in Florida en zelfs Georgia, is hij slechts een zeldzame dwaalgast. Zuidelijker is hij grotendeels standvogel: door Mexico, Midden-Amerika, de Grote Antillen en Zuid-Amerika tot in Argentinië en Brazilië, met lokale verplaatsingen die meer door waterstand dan door seizoen worden bepaald. Een werkelijke trek, zoals bij de meeste eenden van dit gebied, ontbreekt.

  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein). Deze soort komt in een klein gebied voor; de kaart is daarop ingezoomd.

Waar en wanneer kijken

Zoek dichte pollen lisdodde of biezen langs de randen van resaca's en vijvers in de Rio Grande Valley, bijvoorbeeld bij de Santa Ana of Laguna Atascosa National Wildlife Refuge, en blijf stil op één plek staan in plaats van de oever af te lopen. Een vogel die geluidloos onder water verdwijnt is vaak het enige teken dat er een maskerstekelstaart aanwezig is.

Staat van instandhouding

De IUCN noemt de soort niet bedreigd, mede dankzij het zeer grote areaal, dat op ruim acht miljoen vierkante kilometer wordt geschat; een landelijk totaal ontbreekt, maar in Texas werden rond 2000 ongeveer 3800 vogels geteld. Verlies van moeras aan landbouw en bebouwing en jachtdruk in delen van het areaal worden als belangrijkste risico's genoemd, al is van een snelle achteruitgang geen sprake. De soort geldt als niet zeldzaam maar wel zelden gezien, precies door het verscholen leven dat haar kenmerkt.

Wetenschappelijke naam

Nomonyx dominicus | (Linnaeus, 1766)

Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Anas dominica, met als vindplaats destijds ruim 'Zuid-Amerika', later gepreciseerd tot Santo Domingo op Hispaniola — de bron waarop Linnaeus zich baseerde, een oudere beschrijving van Brisson, wees daarop. De soort werd vervolgens bij de stekelstaarteenden ondergebracht als Oxyura dominica, voor de Amerikaanse ornitholoog Robert Ridgway haar in 1880 in een eigen geslacht plaatste, Nomonyx, tot nu toe de enige soort daarin; omdat de soort sinds de oorspronkelijke beschrijving twee keer van geslacht is gewisseld, staan auteur en jaartal tussen haakjes. dominicus is Latijn voor 'van Santo Domingo', naar die typelocatie.