Alle soorten › Eendachtigen › Eenden, ganzen en zwanen › Bahamapijlstaart
Bahamapijlstaart | Anas bahamensis
White-cheeked Pintail | Pato Gargantillo
De bahamapijlstaart is de enige eend van het Caribisch gebied met scherp afgetekende witte wangen en keel tegen een verder bruin verenkleed, met een rode basis aan de grijze snavel. Hij bewoont brakke tot sterk zoute lagunes en mangrovemoerassen van de Bahama's tot in de kuststreek van het noorden van Zuid-Amerika, en is er, anders dan de meeste eenden in deze gids, het hele jaar honkvast. Als sierwatervogel is hij bovendien wereldwijd populair, en ontsnapte vogels duiken soms ver buiten dit gebied op.
Geluid
Het mannetje laat een hoog, piepend fluitje horen, zachter en ijler dan het kwaken van de meeste eenden. Het vrouwtje geeft een gewoon eendachtig gekwaak, korter en minder luid dan bij de wilde eend. Bij verstoring laten beide seksen een korte, knorrende grom horen. In de paartijd, die op de meeste eilanden het hele jaar door kan vallen met een piek van mei tot juli, worden deze geluiden vaker en in korte reeksen achter elkaar gegeven.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Het verenkleed is overwegend warm bruin, met donkere vlekken op de borst en flanken, en de scherp witte wangen en keel die in elk licht opvallen. De snavel is grijs met een rode basis, bij jonge vogels doffer van kleur. De staart is spits toelopend, minder uitgesproken dan bij de pijlstaart maar duidelijk langer en puntiger dan bij de meeste andere eenden van dit geslacht. In vlucht toont de vogel een glanzend groene vleugelspiegel. Mannetje en vrouwtje lijken sterk op elkaar; het vrouwtje is gemiddeld iets kleiner en doffer van kleur, met een minder felrode snavelbasis.
Verwarringssoorten
Binnen zijn areaal is de bahamapijlstaart nauwelijks te verwarren: geen andere eend van het Caribisch gebied combineert de witte wangen met de rode snavelbasis. Buiten zijn eigen gebied, in Florida en Texas, moet rekening worden gehouden met ontsnapte sierwatervogels: de soort wordt wereldwijd in parken en particuliere collecties gehouden, en niet elke waargenomen vogel daar is een wilde dwaalgast. De blauwvleugeltaling en de zomertaling hebben een vergelijkbare grootte maar missen de witte wangen volledig en hebben een veel kortere, stompere staart.
Leefgebied
Van zoet tot sterk hypersaline water: brakke lagunes, kustmeren, zoutpannen en mangrovemoeras vormen de kern van zijn leefgebied, aangevuld met zoetwaterpoelen waar die voorhanden zijn. Voor voedsel grondelt hij aan het wateroppervlak naar zaden van moerasplanten als Ruppia, algen en kleine ongewervelden. Voor de nestplek is dichte vegetatie op de grond voldoende, soms op enige afstand van open water, in droog struweel of open bos. Hij mijdt snelstromend water en kusten zonder beschutte, ondiepe randen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Standvogel op de eilanden van de Bahama's en de Grote en Kleine Antillen, van Cuba en Jamaica via Hispaniola en Puerto Rico tot in de Kaaimaneilanden en de Turks- en Caicoseilanden, en langs de kust van het noorden van Zuid-Amerika van Colombia tot in het noordoosten van Brazilië. Andere ondersoorten bewonen de Galapagoseilanden en het zuidelijker deel van Zuid-Amerika; die worden in deze gids niet behandeld. De soort trekt niet, maar verplaatst zich binnen het Caribisch gebied wel tussen eilanden op zoek naar water, afhankelijk van regenval. Incidentele vogels in Florida worden met terughoudendheid beoordeeld, omdat ontsnapte parkvogels er dezelfde waarnemingen kunnen opleveren als een werkelijke dwaalgast.
- Jaarrond
Waar en wanneer kijken
Zoek hem op een brakke lagune of zoutpan in de vroege ochtend of late namiddag, wanneer hij actief aan het wateroppervlak foerageert; midden op de dag rust hij vaak verscholen aan de oever. De witte wangen zijn al op grote afstand te zien en maken de determinatie eenvoudig zodra de vogel de kop optilt. Vermijd voor een zuivere waarneming vijvers in parken en resorts, waar de kans op een ontsnapte vogel het grootst is.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd, met een brede verspreiding over het hele Caribisch gebied, al loopt de wereldwijde trend volgens de Rode Lijst wel terug. Habitatverlies door drooglegging van kustmoeras voor toerisme en landbouw, en illegale jacht op sommige eilanden, zijn de belangrijkste zorgen; op Puerto Rico geldt de soort plaatselijk al als kwetsbaar. De grote, wereldwijd gehouden populatie in gevangenschap draagt niets bij aan het behoud van de wilde vogels, en ontsnapte exemplaren maken het juist moeilijker om de status van wilde populaties elders te beoordelen.
Wetenschappelijke naam
Anas bahamensis | Linnaeus, 1758
Linnaeus beschreef de soort al in 1758, in de tiende druk van zijn Systema Naturae, rechtstreeks als Anas bahamensis, in het geslacht waarin ze nu nog staat; auteur en jaartal staan dan ook zonder haakjes. De naam verwijst naar de Bahama's, waar de typelocatie ligt en waarschijnlijk ook het eerste beschreven exemplaar vandaan kwam. Linnaeus baseerde zijn beschrijving mede op een eerdere afbeelding en beschrijving van Mark Catesby, die de vogel de 'Ilathera duck' noemde, naar het eiland Eleuthera in de Bahama's.



