Alle soorten › Eendachtigen › Eenden, ganzen en zwanen › Wintertaling

Wintertaling | Anas crecca

Green-winged Teal | Cerceta común

De wintertaling is de kleinste grondeleend van Noord-Amerika: een compact, snel vliegend eendje dat in dichte, wendbare groepen als één organisme door de lucht lijkt te bewegen. Het mannetje draagt een fijn getekende kastanjebruine kop met een groene oogvlek, een van de subtielste eendenkleuren van het continent op close-up, terwijl het van ver vooral als een klein, donker vlekje tussen groter eendenvolk opvalt.

Wintertaling (Anas crecca)
Foto: gailhampshire — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het mannetje laat een helder, klokkend fluitje horen, een dubbele of drievoudige kriek-kriek, dat op afstand meer aan een kikker dan aan een eend doet denken en al in groepen baltsende mannetjes ver over het water draagt. Het vrouwtje kwaakt hoog en scherp, in een korte, aflopende reeks, veel ijler dan de wilde eend. In gemengde groepen is het fluitje van de mannetjes vaak het eerste teken dat er wintertalingen tussen de andere eenden zitten.

Luister: ZangXC1168468

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · Kaamanen, Finland · xeno-canto

Herkenning

Het mannetje heeft een kastanjebruine kop met een brede, glanzend groene oogvlek die van het oog tot in de nek doorloopt, omzoomd door een smalle crèmekleurige rand, een grijs gevermiculeerd lichaam met een verticale witte streep voor de vleugel en een crèmekleurige driehoek onder de staart. Het vrouwtje is klein en effen bruin gevlekt, met een relatief kort, donker snaveltje en weinig tekening. Beide seksen tonen in de vlucht een felgroene spiegel met een smalle gele of witte rand, en het kleine formaat en de snelle, wendbare vlucht in dichte groepen zijn op zichzelf al een herkenningsteken. Jonge vogels lijken op het vrouwtje.

Verwarrings­soorten

De blauwvleugeltaling is van gelijke grootte maar heeft een lichtblauwe in plaats van groene vleugeldekveerplek, die vooral bij opvliegende vogels zichtbaar is, en het mannetje mist de groene oogvlek volledig. Het vrouwtje van de wintertaling wordt verward met vrouwtjes van andere kleine grondeleenden, maar is kleiner en compacter, met een kortere snavel en een snelle, laag over het water scherende vlucht in dichte zwermen. De Euraziatische wintertaling, een dwaalgast uit Siberië en (aan de Atlantische kant) uit Europa, heeft een horizontale in plaats van verticale witte streep voor de vleugel; die vogels worden zelden met zekerheid herkend zonder goede foto's.

Leefgebied

Hij broedt bij ondiepe, met kruiden omzoomde poelen en langzame beken in open bos, struweel en toendra, waar dichte lage vegetatie dekking geeft voor het nest. Buiten het broedseizoen is nauwelijks een klein, ondiep wateroppervlak te klein: modderige moerasranden, overstroomde weilanden, ondiepe rijstvelden en beschutte kustmoerassen worden allemaal gebruikt, vaak in groter aantal dan enige andere eendensoort ter plekke. Diep of open water mijdt hij; slikkige randen waar hij lopend kan grondelen zijn wat hij zoekt.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

De wintertaling broedt over vrijwel geheel Alaska en Canada, van de toendra tot de boreale bossen, met uitlopers zuidwaarts in het noordwesten van de Verenigde Staten. Hij overwintert door bijna het hele zuiden en midden van de Verenigde Staten en Mexico, met de grootste concentraties in de Central Valley van Californië, de Golfkust en de moerassen van de Mississippi-vallei, en trekt in kleine aantallen door tot in Midden-Amerika. De Noord-Amerikaanse populatie is sinds het midden van de twintigste eeuw sterk toegenomen, in tegenstelling tot veel andere grondeleenden, mogelijk doordat de soort minder van prairiepoelen afhankelijk is en flexibeler in zijn habitatkeuze.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem op een modderige, ondiepe moerasrand in het najaar: wintertalingen grondelen vaak lopend in slik in plaats van zwemmend, en verraden zich dan eerder door beweging dan door kleur. Een dichte groep die plotseling en als één geheel opvliegt en scherpe bochten maakt vlak boven het water is vrijwel altijd deze soort.

Staat van instandhouding

De wereldwijde broedpopulatie wordt geschat op bijna zeven miljoen vogels en is tussen 1966 en 2019 toegenomen, een van de weinige grondeleenden met een duidelijk positieve trend. Hij is een van de meest bejaagde eenden van het continent, wat de populatie tot dusver niet lijkt te schaden dankzij op tellingen gebaseerde quota, en profiteert van broedgebied dat grotendeels in afgelegen delen van Canada en Alaska ligt, buiten bereik van de meeste habitatdruk. Verlies van kleine, ondiepe wetlands blijft plaatselijk een aandachtspunt; de soort geldt als niet bedreigd (LC).

Wetenschappelijke naam

Anas crecca | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Anas Crecca, bij de eenden waar ze nog steeds toe wordt gerekend; auteur en jaartal staan daarom zonder haakjes. Anas is Latijn voor 'eend'; crecca is een door Linnaeus vernederlatijnst Scandinavisch woord dat de roep van het mannetje nabootst, verwant aan het Zweedse kricka. De typelocatie ligt in Europa; Linnaeus zelf beperkte haar in 1761 tot Zweden.