Alle soorten › Hoenderachtigen › Hokko's en chachalaca's › Bruine chachalaca

Bruine chachalaca | Ortalis vetula

Plain Chachalaca | Chachalaca oriental

De bruine chachalaca is de enige van zijn familie die de Verenigde Staten haalt, en dan nog maar net: hij komt niet verder noordelijk dan het doornstruweel langs de benedenloop van de Rio Grande. Van de twee miljoen vogels die er wereldwijd worden geschat broeden er in de Verenigde Staten geen tweeduizend vijfhonderd. Wie hem zoekt vindt hem zelden door te kijken; het geschreeuw komt eerst.

Bruine chachalaca (Ortalis vetula)
Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De naam is de roep: een hard, rauw tsja-tsja-LAK van drie lettergrepen, dat in de eerste minuten van het licht en opnieuw tegen zonsondergang boven het struweel uit komt. Mannetje en vrouwtje roepen op verschillende toonhoogte, en omdat ze elkaar op een halve tel afwisselen klinkt een paar als één vogel die met twee stemmen tegelijk schreeuwt. Daarnaast is er een kort, knorrend kak waarmee de groep bij het foerageren contact houdt, en een schril alarm als er een havik overkomt. Het koor barst ook midden op de dag los wanneer het weer omslaat, bij een vallende luchtdruk of een naderende bui.

Luister: ZangXC1099278

Opname: Scott Crabtree — CC BY-NC-SA 4.0 · Edinburg Scenic Wetlands & World Birding Center (near Edinburg), Hidalgo County, Texas, United States · xeno-canto

Herkenning

Een grote, slanke vogel met een klein grijs kopje, een lange hals en een lange staart, die olijfbruin is met een groene glans en aan het eind een smalle vaalwitte zoom draagt. Het lichaam is dof grijsbruin, naar de buik toe lichter, zonder streping of vlekken die van een afstand opvallen. Op de keel zit een kaal huidveld dat bij opgewonden vogels rood aanloopt; snavel en poten zijn grauw. Mannetje en vrouwtje zien er gelijk uit, al is het vrouwtje iets kleiner; jonge vogels zijn doffer en hebben een kortere staart. In de vlucht valt hij op door korte, ronde vleugels, een paar snelle slagen en dan een lange glijvlucht van boom naar boom, met de staart wijd.

Verwarrings­soorten

In Zuid-Texas is de langstaarttroepiaal (Quiscalus mexicanus) de vogel die het meest voor hem wordt aangezien: die is slanker, glanzend zwart of warmbruin, met een gele iris en een staart die als een kiel wordt gedragen. De grote renkoekoek heeft ook een lange staart, maar is zwaar gestreept, draagt een kuif en loopt over de grond in plaats van door de kruinen. Vanaf Honduras zuidwaarts wordt de soort vervangen door de grijskopchachalaca (Ortalis cinereiceps), met een grijze kop en roodbruin in de handpennen. Het sjakohoen (Penelope purpurascens) van hoog bos is een kop groter, draagt een kuif en is over hals en borst fijn wit gestreept.

Leefgebied

Dicht, doornig struweel en laag bos langs waterlopen, met een gesloten kruinlaag waar de vogels doorheen kunnen klimmen en een ondoordringbare onderlaag waarin ze verdwijnen; het Tamaulipaanse struweel van de delta is er het schoolvoorbeeld van. Waar dat struweel aan bewoning grenst gaat hij mee: in citrusboomgaarden, langs bosschages achter tuinen en op voederplaatsen met zaad of fruit is hij in Zuid-Texas gewoon geworden. Open akkerland en kale weiden mijdt hij, en ook aaneengesloten hoog regenbos is niet zijn plek; het gaat hem om de rand en om de dichte struik. Water in de buurt is bijna altijd aanwezig, in de vorm van een rivierarm, een resaca (afgesneden rivierarm in het dal van de Beneden-Rio Grande) of een drinkplaats.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Standvogel van de benedenloop van de Rio Grande in Zuid-Texas zuidwaarts langs de Golfhelling van Mexico, over het schiereiland Yucatán, en door Belize, Guatemala, Honduras en Nicaragua tot in het noordwesten van Costa Rica. Hij trekt niet en zwerft nauwelijks: een dal, een rivierarm en een strook struweel zijn genoeg voor een groep die er zijn hele leven blijft. In Texas is het areaal in de twintigste eeuw kleiner geworden doordat het delta-struweel voor landbouw en stadsuitbreiding is gerooid, maar in de reservaten en in de tuinen van de Rio Grande-steden houdt hij goed stand. Buiten het natuurlijke areaal leeft sinds een eeuw een ingevoerde populatie op Sapelo, Blackbeard en Little St. Simons voor de kust van Georgia; die eilanden staan niet op de kaart hierbij.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein). Deze soort komt in een klein gebied voor; de kaart is daarop ingezoomd.

Waar en wanneer kijken

Sta bij het eerste licht op een pad in Santa Ana, Bentsen-Rio Grande Valley of Estero Llano Grande en wacht af: het koor begint vanzelf, en dan is het een kwestie van naar de kruin van de dichtstbijzijnde boom kijken in plaats van naar de grond. Overdag laat hij zich minder zien, maar dan werkt een voederplaats met sinaasappelschijven of zaad, waar hij vaak in kleine gezelschappen komt. Let op de beweging in de takken: een tak die zwaar doorbuigt zonder wind is bijna altijd deze vogel.

Staat van instandhouding

De wereldpopulatie wordt geschat op twee miljoen vogels en de soort geldt als niet bedreigd (LC); op de Continental Concern Score (de Noord-Amerikaanse zorgscore van 1 tot 20) staat hij op elf van de twintig, wat lage zorg betekent. Het knelpunt is niet het aantal maar de plek: het overgrote deel van het oorspronkelijke struweel in de delta van de Rio Grande is gerooid, en wat er over is ligt in losse stukken die met aankoop en herplant aan elkaar worden geknoopt. In Texas geldt hij als wild met een korte jachttijd en een kleine dagelijkse limiet; elders in het areaal is te zware bejaging op sommige plaatsen wel een probleem, omdat een vogel die luid roept en dicht bij dorpen leeft makkelijk te vinden is.

Wetenschappelijke naam

Ortalis vetula | (Wagler, 1830)

Johann Georg Wagler beschreef de soort in 1830 als Penelope vetula, bij de sjakohoenders; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Ortalis werd in 1786 ingevoerd door Merrem, naar het Griekse ortalis, een jonge hen. De soortnaam vetula is het Latijnse woord voor 'oud vrouwtje', een verkleinvorm van vetus 'oud'; waarom Wagler die koos is niet toegelicht. Als typelocatie is Tampico in Tamaulipas aangewezen, door Miller en Griscom. Het woord chachalaca zelf komt uit het Nahuatl van Midden-Mexico en betekent daar zoiets als kwetteren, zodat de vogel in zijn naam nog altijd zijn eigen geschreeuw draagt.