Alle soorten › Hoenderachtigen › Tandkwartels › Bergkuifkwartel

Bergkuifkwartel | Oreortyx pictus

Mountain Quail | Colín Serrano

De bergkuifkwartel is de grootste kwartel van Noord-Amerika en draagt als hoofdsieraad twee lange, kaarsrechte zwarte pluimen die recht naar voren over de snavel steken. Toch is hij ook de schuwste: wie hem hoort roepen vanaf een steile, met struiken dichtbegroeide berghelling, ziet hem zelden — de vogel blijft het liefst roerloos in de dekking en rent weg in plaats van op te vliegen.

Bergkuifkwartel (Oreortyx pictus)
Foto: Alan Schmierer — CC0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het mannetje laat in het voorjaar een luid, galmend kwiork of woeok horen, dat vanaf een open plek op een helling minutenlang wordt herhaald en over hele ravijnen draagt — vaak het enige teken dat er ergens in het struweel een bergkuifkwartel zit. Buiten het baltsseizoen houden de vogels contact met zachte, korte fluittonen terwijl de dekking hen aan het zicht onttrekt. Bij verstoring klinkt een schor, kakelend alarmgeluid, en een opvliegende vogel maakt een kort, explosief geronk met de vleugels. Anders dan bij veel andere Amerikaanse kwartels zingt het vrouwtje niet mee; het galmende kwiork is voorbehouden aan het mannetje.

Luister: ZangXC906442

Opname: Ed Pandolfino — CC BY-NC-SA 4.0 · Mosquito Ridge Road, Placer County, California, United States · xeno-canto

Herkenning

Mannetje en vrouwtje lijken sterk op elkaar — ongewoon voor een Amerikaanse kwartel — met een blauwgrijze kop, borst en rug, een kastanjebruine keel omzoomd door een witte rand, en flanken met brede, scherp afgetekende witte banden op kastanjebruin. De twee rechte kuifpluimen zijn bij het vrouwtje iets korter en minder stijf dan bij het mannetje, dat verder maar beperkt feller gekleurd is. Jonge vogels zijn doffer en vager getekend, met een nog korte, zachte pluim die pas na de eerste rui zijn volle lengte krijgt. Het silhouet is fors en rond voor een kwartel, met een relatief lange staart, en de vogel loopt liever gebukt door dichte dekking dan dat hij zich laat zien. In de vlucht — zelden lang volgehouden — toont hij korte, ronde vleugels en een zwaar, laag ogend lichaam.

Verwarrings­soorten

Waar zijn areaal dat van de Californische kuifkwartel raakt, in het noorden van Californië, is de bergkuifkwartel op de kuif alleen al te onderscheiden: die is bij de bergkuifkwartel kaarsrecht en dun, tegenover de naar voren gekromde, komma-vormige pluim van de californische en de Gambels kuifkwartel. Zijn grotere formaat, de effen blauwgrijze kop zonder zwart-witte gezichtstekening en het ontbreken van verschil tussen de seksen zijn verdere, op afstand bruikbare kenmerken. Een opvliegende vogel wordt in dicht bos weleens voor een klein hoen aangezien, maar die missen de rechte pluim volledig en zijn aanmerkelijk forser. Door zijn schuwheid en voorkeur voor dichte dekking wordt hij vaker gehoord dan gezien, en verwarring ontstaat dan ook minder met andere kwartels dan met het herkennen van de roep zelf.

Leefgebied

Hij zoekt dichte, struikachtige begroeiing op steile berghellingen: chaparral (dicht, hardbladig struweel van het Californische mediterrane klimaat) van manzanita en ceanothus, de rand van pijnboom-eikenbos, en in het noorden van zijn areaal ook verweerde lavavelden met struikvegetatie. Dekking tot vlak boven de grond is onmisbaar — de vogel loopt liever door een tunnel van struiken dan over open grond — en in warm weer blijft hij zelden verder dan een paar kilometer van open water. Open grasland, kaal woestijnbekken en aaneengesloten hoogbos zonder ondergroei mijdt hij. Bij zware sneeuwval trekken de vogels te voet in groepjes naar lager gelegen, sneeuwvrije hellingen — de enige Noord-Amerikaanse kwartel die op deze manier een echte hoogtetrek maakt, al blijft de afstand meestal beperkt tot enkele kilometers.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

De bergkuifkwartel bewoont de bergketens van de Pacifische kust, van het zuiden van de staat Washington door Oregon en vrijwel heel Californië — de Coast Ranges, de Sierra Nevada en de zuidelijke bergketens — tot in het noorden van Neder-Californië. Een geïsoleerde populatie leeft ver naar het oosten, in het westen van Idaho en het aangrenzende Oregon en Nevada, gescheiden van het hoofdareaal door honderden kilometers ongeschikt laagland. Hij is een standvogel in de strikte zin — er is geen trek naar een ander gebied — maar verplaatst zich wel jaarlijks in hoogte, zoals bij het leefgebied beschreven. Aan de randen van zijn areaal, in de staat Washington en het oosten van Oregon, is hij de afgelopen decennia sterk in aantal en verspreiding afgenomen, terwijl de kern van de populatie in Californië stabieler is gebleven.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein). Deze soort komt in een klein gebied voor; de kaart is daarop ingezoomd.

Waar en wanneer kijken

Ga in het late voorjaar bij zonsopgang naar een brandgang of wandelpad door dichte chaparral en luister naar het galmende kwiork — de roep draagt zo ver dat hij vaak eerder wordt gehoord dan de vogel zelf wordt gezien. Blijf daarna stil staan bij een open plek aan de rand van het struweel: bergkuifkwartels wagen zich er soms even om te foerageren voor ze weer de dekking in verdwijnen. Zoeken in de vroege ochtend geeft de beste kans, voordat de warmte van de dag ze dieper de schaduw in drijft.

Staat van instandhouding

De wereldwijde populatie wordt geschat op ongeveer 260.000 vogels, aanzienlijk minder dan bij de twee andere kuifkwartels, en de soort scoort duidelijk hoger op de lijst van zorgwekkende Noord-Amerikaanse vogels dan zijn laaglandverwanten. Aan de randen van het areaal, vooral in Washington en het oosten van Oregon, is de achteruitgang het sterkst, mogelijk door brandonderdrukking die de structuur van de chaparral verandert en door verlies van habitat aan bebouwing. In delen van zijn areaal wordt hij bejaagd, maar door de lage dichtheden en de moeilijke bereikbaarheid van zijn leefgebied in veel geringere aantallen dan de andere twee kuifkwartels.

Wetenschappelijke naam

Oreortyx pictus | Douglas, 1829

Douglas beschreef de soort in 1829 als Ortyx picta, in een ander kwartelgeslacht; sindsdien in Oreortyx geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Dat geslacht werd in 1858 ingevoerd door Baird, uit het Grieks oros, 'berg', en ortyx, 'kwartel'. pictus is Latijn voor 'geschilderd, bont', naar de scherp getekende kop- en flanktekening. De typelocatie ligt in het 'binnenland van Nieuw-Californië', later vastgesteld als de bovenloop van de Umpqua-rivier bij de Calapooia Mountains in Oregon — verzameld door Douglas zelf, de Schotse plantenjager naar wie de douglasspar is genoemd.