Alle soorten › Hoenderachtigen › Tandkwartels › Virginiaanse boomkwartel

Virginiaanse boomkwartel | Colinus virginianus

Northern Bobwhite | Colín de Virginia

De Virginiaanse boomkwartel is het rondbuikige hoentje dat zijn eigen naam roept en dat generaties lang bij elke Amerikaanse akkerrand hoorde. In vijftig jaar is hij uit grote delen van dat land verdwenen: de aantallen liepen met ongeveer vijfentachtig procent terug, en de soort staat inmiddels als gevoelig op de Rode Lijst.

Virginiaanse boomkwartel (Colinus virginianus)
Foto: Russ — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het bekendste geluid is een helder, twee- of drielettergrepig bob-WHITE, waarvan de laatste noot omhoog schiet en dat op een stille ochtend in mei een kilometer draagt. De vogels van één groep houden onderling contact met een zacht, laag toe-loe, op tien meter afstand nauwelijks hoorbaar. Verspreid geraakte vogels roepen elkaar terug met een klimmend, drieledig koi-lie, meestal in de schemering. Bij gevaar klinkt een snel tuk-tuk-tuk, en daarna niets meer.

Luister: ZangXC778483

Opname: Valerie Heemstra — CC BY-NC-SA 4.0 · Pine Flatwoods Trail, Merritt Island NWR, Brevard County, Florida, United States · xeno-canto

Herkenning

Een klein, rond hoentje ter grootte van een kleine duif, met een korte grijze staart, gemarmerd roodbruine bovendelen en een fijn zwart-wit geschubde onderzijde. Het mannetje heeft een witte keel en een witte wenkbrauwstreep, beide scherp omlijst door zwart; bij het vrouwtje zijn diezelfde vlakken warm geelbruin en ontbreekt de zwarte omlijsting. Een naar voren gebogen pluim draagt hij niet — hoogstens zet hij bij opwinding de kruinveren tot een klein kuifje op. Vliegt hij op, dan vallen de korte grijze staart en de brede, ronde vleugel op.

Verwarrings­soorten

De yucatanboomkwartel (Colinus nigrogularis) van het schiereiland Yucatán en Belize heeft bij het mannetje een zwarte, wit geschubde keel in plaats van een witte; de vrouwtjes zijn nauwelijks te scheiden. In het zuiden van Mexico dragen sommige vormen van de eigen soort een geheel zwarte kop, wat op het eerste gezicht een andere vogel lijkt. In het westen van het areaal grenst hij aan de geschubde kwartel (Callipepla squamata), die grijs is, groter, en een wit pluimpje op de kruin draagt. Losgelaten fokvogels zijn vaak bleker en veel tammer dan wilde vogels en lopen soms pas op het laatste moment weg.

Leefgebied

Halfopen land met een lage, dichte kruidlaag en kale grond ertussen: braakliggende akkers, ruige perceelsranden, houtwallen, en vooral de open dennensavanne van het zuidoosten die regelmatig brandt. Hij heeft binnen enkele tientallen meters zowel dekking als open bodem nodig; een strak gemaaid weiland met dichte grasmat is even onbruikbaar als gesloten bos. Waar het vuur en de begrazing wegvallen, groeit een geschikt terrein binnen enkele jaren dicht. In Mexico gaat hij tot in droog struweel en tot in graslanden hoog in de bergen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Standvogel van het oosten en midden van de Verenigde Staten, van Massachusetts — waar hij nu vrijwel weg is — tot Texas en Florida, en zuidwaarts door Mexico tot Chiapas en het westen van Guatemala. Op Cuba leeft een eigen inheemse vorm. In het noordoosten en in het Midwesten is hij uit hele staten verdwenen, en in Canada rest alleen een klein gebied in het uiterste zuiden van Ontario. Hij is uitgezet op Hawaï, waar hij zich op enkele eilanden handhaaft; de vorm van de woestijn van Sonora is in Arizona uit het wild verdwenen en wordt daar opnieuw uitgezet.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Rijd of loop in mei en juni langs zandwegen met ruige bermen en luister; het roepende mannetje zit vaak op een paal of een hek en laat zich, als je stil blijft staan, minutenlang bekijken. Buiten het broedseizoen zie je hem bijna alleen bij toeval: loop een rand tussen ruigte en akker af en wees voorbereid op het plotselinge geraas van een uiteenstuivende groep. De beste gebieden zijn tegenwoordig de reservaten met dennensavanne in Georgia, Florida en de Carolina's, waar met vuur wordt beheerd.

Staat van instandhouding

De Rode Lijst voert hem als gevoelig (NT), de categorie onder bedreigd. Tussen 1966 en 2014 namen de aantallen in Noord-Amerika met ongeveer vijfentachtig procent af, en de daling loopt door. De oorzaak is het verdwijnen van rommelige randen: tot aan de sloot schoon geploegde akkers, dichte weidegrassen, minder vuur in de dennenbossen en dichtgroeiende braakpercelen. Er worden op grote schaal gefokte vogels losgelaten voor de jacht, maar die vestigen zich niet en houden de wilde populatie niet op peil.

Wetenschappelijke naam

Colinus virginianus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Tetrao virginianus, bij de korhoenders; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Colinus werd in 1820 ingevoerd door Goldfuss en gaat via het Spaanse colin terug op het Nahuatl-woord zolin, 'kwartel'. virginianus betekent 'van Virginia'. Linnaeus noemde als herkomst alleen 'America'; dat is later tot Virginia beperkt.