Alle soorten › Eendachtigen › Eenden, ganzen en zwanen › Kleine Canadese gans

Kleine Canadese gans | Branta hutchinsii

Cackling Goose | Barnacla canadiense chica

De kleine Canadese gans geldt sinds 2004 als eigen soort; tot dan werd hij gerekend tot de kleinste vormen van de grote Canadese gans. Hij broedt op de toendra van Alaska en Arctisch Canada en overwintert in dichte troepen op akkers en grasland, van de Willamette Valley in Oregon tot de kustprairie van Texas. Tussen de vier ondersoorten scheelt het gewicht meer dan een kilo, zodat het formaat alleen zelden uitsluitsel geeft.

Kleine Canadese gans (Branta hutchinsii)
Foto: ALAN SCHMIERER — CC0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is hoog en blaffend: een snel herhaald kluk-kluk of een scherper jelp, zonder het diepe, tweelettergrepige geschal van de grote Canadese gans. In een gemengde troep is dat geluid meestal het eerste dat de soort verraadt — tussen het lage a-honk door klinkt een reeks veel hogere, kortere noten. Vliegende troepen roepen vrijwel onafgebroken, en boven een slaapplaats gaat dat 's nachts door. Op de grond waarschuwt hij met een sissend geblaas en gestrekte hals; op de broedplaats roepen de ouders de jongen met een kort, laag knorren bijeen.

Luister: VluchtroepXC1046935

Opname: Greg Irving — CC BY-NC-SA 4.0 · Graysmarsh (near Sequim), Clallam County, Washington, United States · xeno-canto

Herkenning

Getekend als de grote Canadese gans: zwarte kop en hals met een witte wangvlek, bruine bovendelen met lichte veerranden, en witte staartdekveren die in de vlucht een band boven de zwarte staart vormen. Het verschil zit in de bouw. De snavel is kort en stomp en loopt steil op in een rond, hoog voorhoofd; de hals is ongeveer half zo lang als bij de grote soort en het lichaam is compact. De borst is bij veel vogels donkerder en grijzer, bij de ondersoort minima tot bijna paarsbruin, en sommige vogels dragen een smalle witte ring onder aan de zwarte hals. Beide geslachten zijn gelijk getekend; het mannetje is iets groter. In de vlucht is de slag sneller en dieper en oogt het silhouet eerder als dat van een grote eend dan als dat van een gans.

Verwarrings­soorten

De grote Canadese gans (Branta canadensis) is het hele probleem: de grootste kleine Canadese ganzen en de kleinste grote overlappen in maat, zodat een deel van de vogels onbenoembaar blijft. Ga daarom niet op formaat af maar op het snavelprofiel — kort en stomp tegen een steil voorhoofd, tegenover lang en geleidelijk oplopend — en op de halslengte, en luister naar de veel hogere roep. De rotgans is nog kleiner en donkerder, mist de witte wangvlek en heeft alleen een witte streep op de zijhals boven een zwarte borst. De brandgans heeft een geheel wit gezicht en zilvergrijze, zwart gebandeerde bovendelen. Een enkele vogel blijft ook na alle kenmerken onbenoembaar; dat is geen mislukking maar de stand van zaken.

Leefgebied

Broedt op natte kusttoendra, met het zwaartepunt op de delta van de Yukon en de Kuskokwim in westelijk Alaska, waar de nesten op zeggenpollen tussen de poelen liggen; de overige ondersoorten broeden op drogere toendra en op de eilanden van Arctisch Canada. Op trek en in de winter zoekt hij kort gras en geoogst akkerland: graszaadvelden in de Willamette Valley, rijststoppels en wintertarwe in de Central Valley, kustprairie en maisstoppels aan de Golf van Mexico. Hij slaapt op open water — een meer, een retentiebekken, een ondiepe baai — en vliegt bij daglicht naar de velden en terug. Gesloten bos en diep water gebruikt hij niet, en anders dan de grote Canadese gans broedt hij nauwelijks in steden en parken.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Broedt van westelijk en noordelijk Alaska oostwaarts door de Northwest Territories en Nunavut tot op de arctische eilanden. De vier ondersoorten volgen elk hun eigen weg: minima van de Yukon-Kuskokwimdelta naar Oregon en Washington, taverneri naar de westkust, leucopareia van de Aleoeten naar Californië, en hutchinsii door de Great Plains naar Texas en de Golfkust. Die wegen zijn in de twintigste eeuw sterk verschoven: minima overwinterde vroeger vooral in Californië en zit nu bijna geheel in de Willamette Valley, waar het maaigras en het graszaad hem hielden. In het oosten van het continent verschijnt hij jaarlijks in kleine aantallen tussen de grote Canadese ganzen, tot in New England toe. Het gebied buiten Noord-Amerika bereikt hij niet: de vogels van Siberië horen bij andere vormen.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem niet als losse vogel maar in een troep grote Canadese ganzen: loop de rand van de groep af en let op een vogel met een kop die te rond en een hals die te kort is voor de rest. Sta je te ver om de snavel te beoordelen, wacht dan tot de troep opvliegt — de hogere, blaffende roep en de snellere slag komen er dan uit. De beste tijd zijn oktober en november op de Great Plains en de hele winter in de Willamette Valley, waar de troepen tienduizenden vogels tellen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC): de gezamenlijke aantallen lopen in de miljoenen en nemen toe. De Aleoetenondersoort leucopareia is het tegenvoorbeeld. Door poolvossen die voor de pelsjacht op de broedeilanden waren uitgezet bleef er rond 1960 nog één kolonie over, op het afgelegen Buldir; nadat de vossen van eiland na eiland waren verwijderd groeide de populatie weer, en in 2001 werd de ondersoort van de Amerikaanse lijst van bedreigde soorten gehaald. De jacht is nu de belangrijkste sterftefactor en wordt per ondersoort geregeld, omdat de aantallen en de trekwegen zo sterk verschillen.

Wetenschappelijke naam

Branta hutchinsii | (Richardson, 1832)

John Richardson beschreef de soort in 1832 als Anser hutchinsii, bij de echte ganzen; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Branta werd in 1769 ingevoerd door Scopoli; het is een latinisering van het Oudnoorse brandgás, 'gebrande gans', naar het roetzwart van kop en hals. De soortnaam eert Thomas Hutchins, chirurgijn van de Hudson's Bay Company, die de gans aan de westkust van Hudsonbaai beschreef en zijn aantekeningen aan Richardson naliet. Het typemateriaal kwam van het schiereiland Melville, in wat nu Nunavut is. De naam raakte daarna ruim een eeuw buiten gebruik, omdat de vogel als ondersoort van B. canadensis gold, en werd in 2004 weer voor een eigen soort opgevat.