Alle soorten › Eendachtigen › Eenden, ganzen en zwanen › Smient

Smient | Mareca penelope

Eurasian Wigeon | Silbón europeo

De smient is de eend die je eerder hoort dan ziet: een schril, tweetonig gefluit dat ver over het water draagt. Het mannetje draagt een kastanjebruine kop met een roomgele blesstreep en een rozige borst boven een verder grijs lichaam — een kleurencombinatie die geen andere eend in dit gebied heeft. Hier is hij een schaarse maar regelmatige wintergast, vrijwel altijd te midden van groepen van zijn Amerikaanse tegenhanger.

Smient (Mareca penelope)
Foto: Ian Kirk — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het mannetje laat een doordringend, tweetonig gefluit horen, wie-oeh, dat op grote afstand hoorbaar is en zich onderscheidt van elk ander eendengeluid in dit gebied; daarnaast een dieper, gebroken wip-weu. Het vrouwtje is veel stiller en laat vooral bij verstoring een schorre, grommende roep horen. In een groep gemengd met Amerikaanse smienten is het mannetjesgefluit vaak het eerste signaal dat er een smient tussen zit, nog voor hij is gezien.

Luister: Nachtelijke vluchtroepXC780322

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · Arrondissement de Sarrebourg-Château-Salins (near Tarquimpol), Moselle, Grand Est, France · xeno-canto

Herkenning

Het mannetje heeft een kastanjebruine kop met een roomgele streep van snavel tot kruin, een rozige borst, een verder fijn gevermiculeerd grijs lichaam en een zwart achterlijf; de snavel is blauwgrijs met een zwarte punt. Het vrouwtje is warm roodbruin, met een effen kop zonder duidelijke oogvlek en een rond hoofd op een korte snavel. In de vlucht toont het mannetje een groot wit vleugelveld op de voorvleugel met een donkergroene spiegel; bij het vrouwtje is dat veld grijzig in plaats van wit. Buiten het broedseizoen wordt het mannetje doffer en roodbruiner, maar behoudt het witte vleugelveld.

Verwarrings­soorten

De belangrijkste verwarringssoort is de Amerikaanse smient (Mareca americana), waartussen de smient zich vrijwel altijd ophoudt: het mannetje mist diens groene oogstreep en witte kruin en heeft in plaats daarvan een egaal kastanjebruine kop, terwijl het vrouwtje warmer roodbruin is en in de vlucht een grijze in plaats van witte oksel toont — het beste kenmerk op afstand. De twee soorten kruisen af en toe, en zulke mannetjes tonen een mengeling van beide kopkleuren die op geen van beide sluitend lijkt. Van het vrouwtje van de krakeend onderscheidt de smient zich door de kortere, blauwgrijze in plaats van lange donkere snavel en het ronde in plaats van vierkante hoofd.

Leefgebied

In dit werelddeel gebruikt hij vooral beschutte estuaria, baaien en zoutmoerassen langs de kust, waar hij op zeegras en andere waterplanten grondelt of, als het ondiep genoeg is, gewoon loopt te grazen. Kleinere aantallen zoeken zoetwatermoerassen en meren verder landinwaarts op, vrijwel altijd te midden van groepen Amerikaanse smienten. Grasland en kortgemaaide velden vlak bij water gebruikt hij, net als zijn Amerikaanse verwant, om te grazen, al doet hij dat minder opvallend en in kleinere groepjes.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

De smient broedt in het noorden en midden van Eurazië en trekt daar in de winter naar Afrika en Zuid- en Zuidoost-Azië; in Noord-Amerika broedt hij niet. Hier is hij een regelmatige maar schaarse wintergast, vooral langs de Pacifische kust van Alaska tot Californië en langs de Midden-Atlantische kust van New York tot North Carolina, steeds in kleine aantallen tussen groepen Amerikaanse smienten. Landinwaarts is hij zeldzaam. Het aantal wintervogels in Noord-Amerika is klein maar al decennia stabiel.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem niet apart, maar tussen elke grote groep Amerikaanse smienten op een estuarium of beschutte baai in de winter: één kastanjebruin hoofd tussen de grijzere koppen van de meerderheid is meestal genoeg om hem eruit te pikken. De westkust, van Brits-Columbia tot Californië, en de Chesapeake Bay geven de beste kans.

Staat van instandhouding

In Noord-Amerika gaat het steeds om enkele honderden tot een paar duizend overwinterende vogels, een fractie van de miljoenen die in Europa en Azië overwinteren; het aantal is hier al decennia stabiel. Van specifieke bedreigingen in dit gebied is geen sprake, en de kleine, verspreide aantallen maken de soort ongevoelig voor plaatselijke veranderingen in habitat. Elders in zijn areaal blijft hij een talrijke en veelgejaagde eend; de soort is niet bedreigd (LC).

Wetenschappelijke naam

Mareca penelope | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Anas Penelope; omdat ze sinds 1824 in het geslacht Mareca is geplaatst — dat jaar ingevoerd door Stephens, naar het Portugese marreca, 'kleine eend' — staan auteur en jaartal tussen haakjes. De soortnaam eert niet rechtstreeks een persoon, maar de mythologische Penelope, de vrouw van Odysseus: volgens een oude overlevering redde een eend haar toen ze in zee werd geworpen. Penelopes eigen naam gaat terug op het Oudgrieks pēnē, 'weefdraad', en ops, 'gelaat' — een verwijzing naar de list met het weefgetouw waarmee ze haar vrijers jarenlang aan het lijntje hield. De typelocatie ligt in Europa, door Linnaeus zelf beperkt tot Zweden.