Alle soorten › Eendachtigen › Eenden, ganzen en zwanen › Trompetzwaan

Trompetzwaan | Cygnus buccinator

Trumpeter Swan | Cisne trompetero

De trompetzwaan is de zwaarste watervogel van Noord-Amerika en de grootste zwaan ter wereld. Rond 1930 was de soort in de Verenigde Staten teruggebracht tot iets meer dan zestig vogels rond de Red Rock Lakes in Montana; van daaruit groeide de populatie via decennia van bescherming en herintroductie weer aan tot de tienduizenden. Zijn diepe, schallende roep, waaraan hij zijn naam dankt, draagt kilometers ver over water.

Trompetzwaan (Cygnus buccinator)
Foto: USFWS Mountain-Prairie — Public domain · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is laag, luid en trompetachtig: een enkel of herhaald ko-hoh, voortgebracht door een verlengde luchtpijp die als bochtige lus in het borstbeen ligt en het geluid extra volume geeft, ongeveer zoals bij een kraanvogel. Vergeleken met de ijlere, hogere roep van de fluitzwaan klinkt de trompetzwaan voller en minder muzikaal, met een naar messing neigend timbre. Bij onrust of tijdens de balts herhalen paren de roep in snel tempo met de kop en hals gestrekt, en een hele troep die tegelijk opvliegt produceert een aanhoudend, samenvallend geschal. Op het water is een zacht, laag gegrom tussen ouders en jongen te horen.

Luister: VluchtroepXC1135832

Opname: Jeff Stewart — CC BY-NC-SA 4.0 · Cavan-Monaghan (near Millbrook), Peterborough County, Ontario, Canada · xeno-canto

Herkenning

Een volwassen trompetzwaan is geheel wit met een lange, geheel zwarte snavel zonder enig geel; de snavelbasis loopt recht en geleidelijk over in het voorhoofd, zonder de knik van de fluitzwaan of de knobbel van de knobbelzwaan, waardoor de snavel proportioneel langer oogt. Bij goed zicht is langs de rand van de ondersnavel een smalle, zalmroze lijn te zien, vaak de 'lippenstiftstreep' genoemd, die bij geen van de andere zwanen voorkomt. De hals is de langste van alle Noord-Amerikaanse watervogels en wordt recht gedragen. Het jong is grijsbruin met een roze snavel met zwarte basis en groeit pas in het tweede jaar naar het witte kleed toe; ook volwassen vogels dragen soms nog een lichte roestbruine waas op kop en hals, van ijzerhoudend water waarin ze foerageren.

Verwarrings­soorten

De fluitzwaan is kleiner en heeft bijna altijd een kleine gele vlek voor het oog; de trompetzwaan heeft die nooit. Het meest betrouwbare verschil is de vorm: bij de fluitzwaan buigt het voorhoofd concaaf naar de snavel, bij de trompetzwaan loopt die lijn recht door, wat de kop hoekiger en de snavel langer laat lijken. De roep is bij ervaring nog sneller: schallend en trompetachtig tegenover ijl en fluitend. De wilde zwaan, in dit gebied een zeldzame dwaalgast, heeft geel op de snavel; de knobbelzwaan een oranje snavel met knobbel. Waar trompetzwanen en fluitzwanen in dezelfde streek overwinteren, zoals bij de Grote Meren, is de grootte in gemengd gezelschap een bruikbare eerste indruk, maar de snavelvorm geeft de zekerheid.

Leefgebied

Broedt op ondiepe meren, moerassen en trage rivieren met veel oeverbegroeiing, waar hij een drijvend nest bouwt op een muskusrattenhoop of een eilandje. In de winter zoekt hij open water dat niet dichtvriest: door bronnen of geothermische activiteit open gehouden rivieren en meren in het Yellowstone-gebied, en beschutte estuaria en baaien langs de Pacifische kust. Overstroomde akkers en ondiepe randen van meren met waterplanten gebruikt hij het hele jaar om te foerageren. Snelstromend water zonder oeverbegroeiing en de open zee mijdt hij.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Drie afzonderlijke populaties herstelden zich na de bijna-uitroeiing van rond 1930. De Pacifische populatie broedt voor het grootste deel in Alaska en in mindere mate in de Yukon en overwintert langs de kust van Washington en Brits-Columbia. De Rocky Mountain-populatie broedt overwegend in het noorden van Alberta, Brits-Columbia en de Yukon en overwintert in het drielandengebied van Montana, Idaho en Wyoming, waar bovendien een kleine, niet-trekkende groep het hele jaar blijft. De binnenlandse populatie is ontstaan uit herintroducties sinds de jaren zestig en beslaat nu een gebied van South Dakota en Nebraska via Minnesota, Wisconsin, Michigan en Ohio tot in het oosten van Ontario. Gezamenlijk telt de soort weer ruim boven de twintigduizend vogels, tegenover minder dan honderd in de jaren dertig.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

In de winter zijn de warmwaterstroompjes van Yellowstone en de Madison-rivier betrouwbare plekken, evenals de kustwateren van Washington en Brits-Columbia; in het binnenland groeien de herintroduceerde troepen in Minnesota en Wisconsin het hele jaar zichtbaar. Let bij een groep zwanen eerst op de snavelvorm: een rechte lijn van voorhoofd naar snavelpunt zonder enig geel wijst direct op deze soort.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC) en toenemend, met ruim twintigduizend vogels verspreid over de drie populaties, tegenover de min of meer zestig die in 1932 in de lagere achtenveertig staten overbleven. Herintroductieprogramma's, waaronder het overplaatsen van eieren en jonge vogels naar historische broedgebieden, blijven de belangrijkste reden voor het herstel. Loodvergiftiging door het opeten van oude jachthagel op de bodem van meren is nog altijd een van de belangrijkste sterfteoorzaken.

Wetenschappelijke naam

Cygnus buccinator | Richardson, 1832

Richardson beschreef de soort in 1832 rechtstreeks als Cygnus buccinator; omdat ze sindsdien in hetzelfde geslacht is gebleven, staan auteur en jaartal zonder haakjes. Het geslacht Cygnus werd in 1803 ingevoerd door Bechstein en is de latinisering van het Griekse kyknos, 'zwaan'. De soortnaam buccinator is Latijn voor 'trompetter', naar de schallende roep; hetzelfde woord leverde ook de naam van de trompetspier in het gezicht, de musculus buccinator. De typelocatie ligt aan Hudsonbaai.