Alle soorten › Eendachtigen › Eenden, ganzen en zwanen › Rotgans

Rotgans | Branta bernicla

Brant | Barnacla carinegra

De rotgans is de kleinste en donkerste gans van Noord-Amerika: roetzwart aan kop, hals en borst, met alleen een kort wit halssnoertje als lichtpunt. Van de Arctische toendra tot de getijdenwadden van twee oceanen brengt hij vrijwel zijn hele leven door binnen zicht van zout water, en zijn winter draait bijna volledig om één plant: zeegras.

Rotgans (Branta bernicla)
Foto: Rhododendrites — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een laag, rollend gekreun, krr-onk of rr-rr-rr, dat in een rustende troep op het water aanhoudend murmelt en van verre klinkt als een motor die stationair draait. In de vlucht wisselen de vogels een kortere, hardere versie van dezelfde klank uit, zonder het tweeklankige geschal van de Canadese ganzen. Bij onraad steekt de troep de hals en roept in koor, feller en sneller. Op de broedplaats is de rotgans stiller en volstaat een zacht grommen tussen de partners.

Luister: Nachtelijke vluchtroepXC1134082

Opname: Simon Gillings — CC BY-NC-SA 4.0 · Byall Fen, Cambridgeshire, United Kingdom · xeno-canto

Herkenning

Een compacte, korthalzige gans, kleiner dan een Canadese gans en met een klein, stomp snaveltje. Kop, hals en bovenborst zijn geheel roetzwart, onderbroken door een kort wit vlekje aan weerszijden van de hals dat nooit een gesloten ring vormt zoals bij de brandgans. De westelijke ondersoort, de zwarte rotgans, heeft een donkere, bijna zwarte buik die nauwelijks afsteekt tegen de borst; de oostelijke rotgans heeft een duidelijk lichtere, grijswitte buik. Bovendelen en flanken zijn grijsbruin met lichte veerranden, de staartdekveren wit. In de vlucht vormen troepen geen strakke V maar losse, golvende linten die laag boven het water trekken.

Verwarrings­soorten

De brandgans heeft een geheel wit gezicht en zilvergrijze, zwart gebandeerde bovendelen, anders dan het egale zwart-grijs van de rotgans. De kleine en de grote Canadese gans zijn beide groter, met een scherp begrensde witte wangvlek die onder de keel doorloopt — een vlek die de rotgans volledig mist. Op afstand, in slecht licht, wordt een troep rotganzen op het water weleens voor zee-eenden aangezien, maar de rechte hals en de witte achterkant van de rotgans geven dan de doorslag.

Leefgebied

Hij broedt op natte kusttoendra met zeggenpollen en ondiepe poelen, zelden meer dan enkele kilometers van de zee. Buiten de broedtijd is hij vrijwel geheel aan zout water gebonden: baaien, estuaria en wadplaten waar zeegras groeit, zijn wintervoedsel bij uitstek. Rivierdelta's met wisselende getijden en beschutte lagunes gebruikt hij om te rusten tussen de voedertijden in; akkers en binnenwater, waar andere ganzen dagelijks op af vliegen, mijdt hij bijna helemaal.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Twee hoofdpopulaties trekken elk hun eigen weg. De oostelijke rotgans broedt op de hoge Arctische eilanden van Canada en trekt via de westkust van Hudsonbaai in één lange vlucht over land naar de Atlantische kust, waar hij overwintert van New Jersey tot North Carolina. De westelijke zwarte rotgans broedt langs de kust van Alaska en het westelijke Arctisch Canada, verzamelt zich in het najaar bij uitstek in de Izembek-lagune op het Alaska-schiereiland en overwintert van Californië tot in de lagunes van Neder-Californië. In de jaren dertig stortte de oostelijke populatie ineen toen een ziekte het zeegras in zijn wintergebied grotendeels wegvaagde; de overschakeling op zeesla hield de soort in leven tot het zeegras zich herstelde. Zachtere winters laten de laatste decennia meer vogels noordelijker overwinteren dan vroeger gebruikelijk was.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem bij laag water in een baai met zeegrasvelden — Barnegat Bay in New Jersey en de baai van San Francisco zijn allebei klassiek — waar troepen tot ver in de ondiepe getijdenzone grazen. Het rollende gemurmel van een rustende troep draagt ver over water en is vaak eerder te horen dan de vogels te zien zijn.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC), maar de aantallen schommelen sterk met de beschikbaarheid van zeegras, waarvan de soort voor het grootste deel van zijn voedsel afhankelijk blijft. De westelijke populatie steunt zwaar op één enkele locatie, de Izembek-lagune, waardoor verstoring of olievervuiling daar een onevenredig groot effect zou hebben. Beide populaties worden bejaagd binnen jaarlijks vastgestelde quota en via luchttellingen gevolgd.

Wetenschappelijke naam

Branta bernicla | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Anas Bernicla, bij de eenden; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Branta werd in 1769 ingevoerd door Scopoli, als latinisering van het Oudnoorse brandgás, 'gebrande gans'. De soortnaam bernicla gaat terug op de middeleeuwse legende van de 'barnacle goose': omdat niemand in Europa deze ganzen ooit had zien broeden — hun nesten liggen ver in de Arctis — werd gedacht dat ze uit eendenmossels aan drijfhout groeiden. Linnaeus noemde als typelocatie Noord-Europa, in de praktijk Zweden, waar hij alleen overwinterende vogels kende.