Alle soorten › Eendachtigen › Eenden, ganzen en zwanen › Grote Canadese gans
Grote Canadese gans | Branta canadensis
Canada Goose | Barnacla canadiense grande
De grote Canadese gans is de vogel waarmee Noord-Amerika de seizoenen aftelt: de wiggen boven de stad, het schallende geroep uit het donker. In één eeuw veranderde hij van bejaagde trekvogel in de talrijkste gans van het continent — en op veel plaatsen in een standvogel die nooit meer vertrekt.
Geluid
Een luid, tweelettergrepig geschal, a-HONK, dat mannetje en vrouwtje in duet afwisselen: het mannetje lager en langer, het vrouwtje hoger en korter, zodat het op afstand als één vogel klinkt. Vliegende troepen roepen vrijwel onafgebroken; op de grond waarschuwt hij met een laag sissend hrrronk en gestrekte hals. Kleine Canadese ganzen roepen hoger en blaffender, wat in gemengde troepen vaak het eerste verschil is dat opvalt.
Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · Arrondissement de Charleville-Mézières (near Fumay), Ardennes, Grand Est, France · xeno-canto
Herkenning
Zwarte kop en hals met een scherp begrensde witte wangvlek die onder de keel doorloopt, een tanbruine tot vaalgrijze borst, bruine bovendelen met lichte veerranden, en witte staartdekveren die in vlucht een heldere band boven de zwarte staart vormen. De maat varieert sterk: oostelijke en zuidelijke vogels halen 110 cm, de noordelijke parvipes blijft daar ver onder. Beide geslachten zijn gelijk getekend; het mannetje is groter en houdt de hals rechter. Jonge vogels hebben een doffere wangvlek met vage rand en een rommeliger gebandeerde flank.
Verwarringssoorten
De kleine Canadese gans (Branta hutchinsii), in 2004 afgesplitst, is het echte probleem: kleiner, met een korte stompe snavel, een ronde kop, een veel kortere hals en vaak een donkerder, grijzer borstvlak. Doordat kleine vormen van deze soort en grote hutchinsii in maat overlappen, blijven sommige vogels onbenoembaar — snavelprofiel en halslengte wegen zwaarder dan formaat. De brandgans heeft een geheel wit gezicht en zilvergrijze bovendelen; de rotgans is veel kleiner en donkerder en heeft alleen een witte halsvlek, geen wangvlek.
Leefgebied
Grasland aan water, in elke vorm: toendrameren en riviervlakten in het noorden, en in het zuiden gemaaid gras langs golfbanen, parkvijvers, campussen, retentiebekkens en snelweggroen. Wat hij nodig heeft is kort gras om te grazen en open water om naar te vluchten, en die combinatie is door de mens massaal aangelegd. Buiten de broedtijd op stoppelvelden met maïs, tarwe en jonge wintergranen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedt van Alaska en de Canadese toendra zuidwaarts door heel Canada tot ver in de Verenigde Staten, en sinds de jaren tachtig in snel groeiende aantallen ook in West-Groenland, waar hij het broedgebied van de Groenlandse kolgans binnendringt. Trekvogels overwinteren in het zuiden van de Verenigde Staten en tot in Noord-Mexico. Daarnaast bestaat een grote, uit uitgezette vogels ontstane populatie die in de gematigde Verenigde Staten en Zuid-Canada het hele jaar blijft en geen trek meer kent.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Kijk bij een gemengde ganzentroep niet eerst naar het formaat maar naar de snavel: hoe lang hij is en hoe geleidelijk hij in het voorhoofd overloopt. Op trek zijn de wiggen niet alleen te tellen maar ook te beluisteren — de hogere, blaffende roep verraadt kleine Canadese ganzen in een groep die er verder als één soort uitziet.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC) en plaatselijk te talrijk. De reuzenondersoort maxima gold rond 1950 als uitgestorven, tot in 1962 bij Rochester, Minnesota een overwinterende groep werd teruggevonden; uitzettingen door het hele land volgden. De standvogels die daaruit voortkwamen leveren nu conflicten op — kaalgegraasde parken, vervuild zwemwater, aanvaringen met vliegtuigen — en worden plaatselijk tijdens de rui weggevangen of afgeschoten. Trekkende populaties uit het hoge noorden zijn kwetsbaarder en worden apart beheerd.
Wetenschappelijke naam
Branta canadensis | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Anas canadensis, bij de eenden; omdat ze later naar een ander geslacht verhuisde, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Branta werd in 1769 ingevoerd door Scopoli; het is een latinisering van het Oudnoorse brandgás, 'gebrande gans', naar het roetzwart van kop en hals. canadensis is neolatijn voor 'uit Canada'. Het typemateriaal kwam uit Canada; Todd stelde in 1938 de stad Quebec als typelocatie voor.




