Alle soorten › Eendachtigen › Eenden, ganzen en zwanen › Amerikaanse grote zee-eend
Amerikaanse grote zee-eend | Melanitta deglandi
White-winged Scoter | Negrón aliblanco
De Amerikaanse grote zee-eend is de grootste van de drie zee-eenden in dit hoofdstuk en de enige met een scherp wit vleugelveld, dat in vlucht als een dubbele lichtflits over het zwarte lichaam trekt. Het mannetje draagt bovendien een grote, donker omrande zwarte knobbel aan de snavelbasis en een klein wit komma-vormig vlekje achter het oog. Tot 2019 werd hij nog als één soort beschouwd met de Euraziatische grote zee-eend en Stejnegers zee-eend van Siberië, tot onderzoek naar uiterlijk en genetica de drie uiteen liet vallen.
Geluid
Bij intensieve balts laten zowel het mannetje als het vrouwtje een hoog, fluitend piepen horen, ongebruikelijk voor een zee-eend en heel anders dan het doffere geluid van de andere twee soorten in dit hoofdstuk. Het vrouwtje geeft in nood een laag, schor kaak-kaak-kaak. Op open zee is de soort meestal stil; wat opvalt is dan vooral het fluitende geluid van de vleugels tijdens de vlucht, een kenmerk dat hij met de andere zee-eenden deelt.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Het mannetje is zwart met een klein, komma-vormig wit vlekje net achter het oog en een groot, wit vleugelveld dat in vlucht en soms ook op het water zichtbaar is; de snavel draagt een zwarte, donker omrande knobbel aan de basis. Het vrouwtje is donkerbruin, met een ronde kop en een relatief korte snavel, en toont net als het mannetje het witte vleugelveld, dat ook bij haar het beste kenmerk is. Juveniele vogels lijken op het vrouwtje, met een vager afgetekende oogvlek en een lichtere buik. De soort is de grootste van de drie zee-eenden in dit hoofdstuk, met een zwaarder, breder lichaam en een langzamere vleugelslag.
Verwarringssoorten
Het witte vleugelveld is het beste kenmerk tegenover de andere twee zee-eenden: bij de brilzee-eend en de Amerikaanse zwarte zee-eend ontbreekt het wit in de vleugel volledig. Zittend op het water, wanneer het vleugelveld niet zichtbaar is, is het vrouwtje nog het lastigst te onderscheiden van het vrouwtje brilzee-eend; let dan op de rondere kop en de kortere snavel. In Europa en Azië leven de nauw verwante grote zee-eend (Melanitta fusca) en Stejnegers zee-eend (Melanitta stejnegeri), tot 2019 nog tot dezelfde soort gerekend; ze overlappen niet met de Amerikaanse grote zee-eend.
Leefgebied
Broedt aan zoetwatermeren en -poelen, zowel in het boreale naaldbos van Alaska en westelijk Canada als op de graslandpoelen van de noordelijke prairies, mits er voldoende dichte oevervegetatie voor het nest aanwezig is. Buiten het broedseizoen is hij een zee-eend van beschutte kustwateren, baaien en riffen, en anders dan de andere twee zee-eenden in dit hoofdstuk overwintert hij ook in aanzienlijke aantallen op de Grote Meren, waar hij op mosselen en andere schelpdieren duikt. Volledig open, diep water zonder schelpdierbanken gebruikt hij nauwelijks.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedt van het subarctische westen van Alaska oostwaarts tot de oostkust van James Bay, met een aanvullende, geïsoleerde broedpopulatie op de graslandpoelen van Alberta, Saskatchewan, Montana en North Dakota. Overwintert aan de Grote Oceaankust van de Aleoeten tot Midden-Californië, aan de Atlantische kust van de Golf van Sint-Laurens tot New Jersey, en in aanzienlijke aantallen op de Grote Meren, met name op Lake Michigan. Tot 2019 gold de hele groep van grote zee-eenden als één soort met de Euraziatische grote zee-eend en Stejnegers zee-eend; onderzoek naar uiterlijk, roep en genetica leidde dat jaar tot de erkenning van drie aparte soorten.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem tussen gemengde groepen zee-eenden op open water, en let op het witte vleugelveld dat oplicht zodra een vogel zijn vleugels strekt of opvliegt — bij zittende vogels is het vaak net zichtbaar als een smalle witte rand langs de flank. Op de Grote Meren, vooral rond Lake Michigan, is de soort in de winter vaak dichterbij en makkelijker te bekijken dan aan de open zeekust.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd, met een populatie die stabiel wordt geacht, al is er door het recente uiteenvallen van de soort in drieën nog relatief weinig apart onderzoek naar de Amerikaanse grote zee-eend gedaan. Olievervuiling in de wintergebieden en verlies van geschikte schelpdierbanken langs de kust gelden als de belangrijkste risico's; de prairiepopulatie is bovendien gevoelig voor droogte, die de broedpoelen kan laten verdwijnen.
Wetenschappelijke naam
Melanitta deglandi | (Bonaparte, 1850)
Charles Lucien Bonaparte beschreef de soort in 1850 als Oedemia deglandi; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Melanitta werd in 1822 ingevoerd door Friedrich Boie, uit het Griekse melas, 'zwart', en netta, 'eend'. De soortnaam deglandi eert de Franse ornitholoog Côme-Damien Degland (1787–1856). Als typelocatie noemde Bonaparte alleen 'Noord-Amerika', zonder nadere precisering.



