Alle soorten › Eendachtigen › Eenden, ganzen en zwanen › Harlekijneend

Harlekijneend | Histrionicus histrionicus

Harlequin Duck | Pato arlequín

De harlekijneend dankt zijn naam aan het bonte verenkleed van het mannetje: blauwgrijs met kastanjebruine vlekken en scherp afgetekende witte banden en spikkels, als het kostuum van de harlekijn uit de Italiaanse komedie. Hij broedt op snelstromend water in de bergen en overwintert op de meest onstuimige rotskusten van het continent, waar hij tussen de golfslag naar zeepokken en slakken duikt. Bij geen andere Noord-Amerikaanse eend is de biologie zo strak aan wild water gebonden, zowel in de zomer als in de winter.

Harlekijneend (Histrionicus histrionicus)
Foto: peggycadigan — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Zijn roep is zo hoog en piepend dat vogelaars hem soms eerder voor een muis houden dan voor een eend, wat hem de Engelse bijnaam 'sea mouse' heeft opgeleverd. Het mannetje laat op de broedrivier een zacht, nasaal ie-ie-ie horen, dat boven het geraas van de stroomversnellingen nauwelijks te horen is; het vrouwtje reageert met een schrapend, herhaald gekwaak. Op de winterse rotskust is de soort veel stiller en verraadt hij zich eerder door zijn verenkleed dan door geluid.

Luister: ZangXC488084

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · Northeastern Region, Iceland · xeno-canto

Herkenning

Het mannetje is blauwgrijs met kastanjebruine flanken, een witte band over de borst, een witte halvemaanvormige vlek voor het oog en fijne witte strepen en stippen op kop en hals, met een kleine zwarte snavel. Het vrouwtje is egaal donkerbruin met drie witte vlekken op de kop: een rond vlekje achter het oog, een grotere van oog tot snavel en een klein spatje boven het oog. Juveniele vogels lijken sterk op het vrouwtje, met dezelfde kopvlekken maar een iets vager verenkleed. Zowel op het water als in de vlucht valt het compacte, ronde lichaam op met een korte hals en een relatief korte, opgetilde staart, kleiner dan de meeste andere zee-eenden.

Verwarrings­soorten

Het vrouwtje wordt van veraf verward met vrouwtjes van andere zee-eenden, maar de drie witte kopvlekken van de harlekijneend, tegenover de vage lichte wangvlek van bijvoorbeeld de brilzee-eend, zijn met een verrekijker op enige afstand goed te onderscheiden. Het mannetje in prachtkleed is met geen andere Noord-Amerikaanse eend te verwisselen; alleen op grote afstand in slecht licht kan de combinatie van blauwgrijs en wit doen denken aan een mannetje ijseend (Clangula hyemalis), dat een veel lichtere kop en een lange, spits toelopende staart heeft. Ook de omgeving helpt: de harlekijneend zit vrijwel altijd op de felste, onstuimigste plekken van de kust, terwijl de genoemde soorten net zo goed op kalm open water te vinden zijn.

Leefgebied

In de zomer broedt hij langs koud, zuurstofrijk stroomversnellingswater in bergrivieren, waar hij op de bodem tussen de stenen naar larven van kokerjuffers en steenvliegen duikt; oevers met dichte struiken of rotsspleten dicht bij het water dienen als nestplaats. Buiten het broedseizoen ruilt hij de rivier volledig in voor de felste rotskust die er is: golfbrekers, riffen en met zeewier begroeide rotsblokken in de branding, waar hij vlak onder het wateroppervlak naar zeepokken, napjesslakken en kleine kreeftachtigen zoekt. In beide seizoenen mijdt hij rustig, beschut water en zandstranden; wat hij zoekt is juist de plek waar het water het hardst beweegt.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Twee sterk gescheiden populaties: een westelijke, die broedt van Alaska en de Yukon door Brits-Columbia tot in de noordwestelijke staten, en een kleinere oostelijke populatie die broedt in het noordoosten van Quebec, Labrador en op Baffineiland. De westelijke vogels overwinteren langs de hele Grote Oceaankust van de Aleoeten tot in Californië; de oostelijke populatie concentreert zich vrijwel geheel voor de kust van Maine, waar naar schatting meer dan de helft van alle oostelijke vogels de winter doorbrengt. De oostelijke populatie is in de twintigste eeuw sterk geslonken door jacht en werd pas in de jaren negentig als apart te beschermen eenheid erkend, waarna de aantallen zich gedeeltelijk hebben hersteld.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem in de winter op de rotsigste, meest onbeschutte stukken kust die je kunt vinden — een havenhoofd met kalm water is de verkeerde plek. Aan de Atlantische kust is de baai van Penobscot in Maine de betrouwbaarste plek van het continent; aan de westkust vind je hem op bijna elke rotsige kaap van Washington tot Alaska. Kijk goed tussen de golven door: hij duikt vaak lang en komt dicht bij de branding weer boven.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (LC), maar de oostelijke Noord-Amerikaanse populatie is klein — enkele duizenden vogels — en kwetsbaar, met olievervuiling langs de wintervastelandskust en de aanleg van waterkrachtcentrales op broedrivieren als belangrijkste risico's. De westelijke populatie is aanzienlijk groter en stabieler. Omdat de soort zowel in de zomer als de winter aan een smal, specifiek habitat gebonden is, is hij gevoeliger voor lokale verstoring dan de meeste andere eenden in deze gids.

Wetenschappelijke naam

Histrionicus histrionicus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Anas histrionica, bij de eendachtigen; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Histrionicus werd in 1828 ingevoerd door de Franse natuuronderzoeker René Lesson. De naam komt van het Latijnse histrio, 'acteur' of 'toneelspeler', en verwijst, net als de Nederlandse, Engelse en Spaanse naam, naar de bonte, theatrale kostuums van de harlekijn uit de Italiaanse komedie. De typelocatie is later beperkt tot Newfoundland, op basis van een beschrijving die teruggaat op een plaat van de natuuronderzoeker George Edwards.