Alle soorten › Eendachtigen › Eenden, ganzen en zwanen › Bergeend
Bergeend | Tadorna tadorna
Common Shelduck | Tarro blanco
De bergeend is in Europa en Azië een algemene broedvogel van kust en binnenwater, in Noord-Amerika niets van dat alles: hier is hij een uiterst zeldzame dwaalgast, met de eerste aanvaarde waarneming pas in 2014, op Newfoundland. De driekleur — wit lijf, glanzend groene kop en een kastanjebruine band over de borst — en de rode snavel maken hem overal herkenbaar, ook ver van zijn eigen werelddeel. Vogels die elders in Noord-Amerika opduiken, vooral in Florida en ten westen van de Mississippi, worden doorgaans als ontsnapte sierwatervogels beschouwd, niet als wilde dwaalgasten.
Geluid
Het mannetje laat een helder, ver dragend gefluit horen, een aanhoudend sjjuu sjjuu dat vooral tijdens de balts en bij opwinding klinkt. Het vrouwtje reageert met een hard, snel gakkend geblaf, een serie van gag-ag-ag-ag-klanken die in een groep al op grote afstand te horen is. Buiten het broedseizoen zijn beide seksen aanzienlijk stiller. Een dwaalgast in Noord-Amerika laat zich doorgaans in stilte zien: de enkele vogels die hier zijn vastgesteld zaten meestal alleen, ver van soortgenoten om op te reageren, en van de meeste is geen geluid genoteerd.
Opname: Jarek Matusiak — CC BY-NC-SA 4.0 · Półwysep Helski, Poland · xeno-canto
Herkenning
Beide seksen zijn wit met een glanzend, donkergroen zwarte kop en hals, een brede kastanjebruine band over de borst die doorloopt tot op de rug, en een smalle zwarte streep over het midden van de buik. De snavel is helder rood, bij het mannetje in de zomer voorzien van een opgezwollen, rode knobbel aan de snavelbasis die bij het vrouwtje ontbreekt of veel kleiner is. Het vrouwtje toont bovendien vaak een klein wit vlekje rond de snavelbasis. Jonge vogels zijn veel doffer: grijsbruin van boven, wit van onder, zonder de scherpe borstband en met een grijzige in plaats van rode snavel. In de vlucht vallen de overwegend witte vleugels op, met zwarte slagpennen en een groenige spiegel.
Verwarringssoorten
Binnen zijn eigen werelddeel is de bergeend nauwelijks te verwarren, maar een verdwaalde vogel in Noord-Amerika duikt vaak op tussen verwilderde parkeenden en -ganzen van gemengde herkomst, en dan is precies de combinatie van rode snavel, groene kop en kastanjebruine borstband — kenmerken die geen enkele Noord-Amerikaanse eendensoort combineert — het bewijs dat het om een echte bergeend gaat. Jonge vogels, doffer en zonder duidelijke borstband, lijken op een grauwe, gansachtige watervogel maar hebben de karakteristieke roodachtige snavelbasis. Het grootste probleem is niet verwarring met een andere soort maar de vraag of een vogel wild is: bergeenden worden ook los in vogelparken en op boerderijen gehouden, en een ontsnapte vogel is uiterlijk niet van een wilde te onderscheiden.
Leefgebied
In zijn eigen werelddeel broedt de bergeend op kwelders, wadplaten en brakke lagunes, vaak ver landinwaarts op akkerland waar hij in konijnenholen of onder schuren nestelt. De enkele vogels die in Noord-Amerika zijn vastgesteld, zaten steevast op kustwater: een baai, een riviermonding of een ondiepe lagune, telkens in gezelschap van inheemse eenden en ganzen. Zoetwater diep in het binnenland is voor deze soort hier nooit gemeld.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedt van West-Europa oostwaarts tot in Centraal-Azië en overwintert van Noord-Afrika tot in Zuid-Azië; met dat areaal is Noord-Amerika voor de bergeend in wezen onbereikbaar, en toch is de soort een van de weinige Europese eendachtigen die de oceaan af en toe oversteekt. Het eerste aanvaarde geval voor het werelddeel dateert van april 2014, toen een vogel op Newfoundland werd vastgesteld; sindsdien zijn er incidentele meldingen bijgekomen, geconcentreerd in het noordoosten — Newfoundland, de Canadese Maritieme Provincies en Massachusetts — wat aansluit bij de sterk gegroeide broedpopulatie op IJsland als mogelijke bron. Vogels in Florida en ten westen van de Mississippi worden vrijwel altijd als ontsnapt beschouwd. Op de kaart staat daarom geen enkele eenheid als gevestigd; Newfoundland staat als doortrekker, voor het enige gebied waar de kans op een wilde vogel reëel wordt geacht.
Waar en wanneer kijken
De kans op een bergeend in Noord-Amerika is voor vrijwel iedereen nihil; wie toch zoekt doet dat het best in het najaar en voorjaar op kustwater in Atlantisch Canada, tussen groepen rotganzen en eidereenden. Twijfel altijd aan de herkomst: een bergeend met pootring, in gezelschap van andere ontsnapte sierwatervogels of ver landinwaarts, is vrijwel zeker afkomstig uit gevangenschap.
Staat van instandhouding
Wereldwijd is de bergeend niet bedreigd (LC); de Europese en Aziatische populatie is groot en stabiel. Voor Noord-Amerika is er niets in stand te houden — de soort broedt hier niet en de enkele dwaalgasten vormen geen populatie. Voor de aanvaarding van een waarneming als wilde vogel geldt hier een zware bewijslast, juist omdat de soort zo algemeen in gevangenschap wordt gehouden.
Wetenschappelijke naam
Tadorna tadorna | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Anas Tadorna, bij de eenden; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Tadorna werd in 1822 ingevoerd door Boie en gaat terug op het Franse tadorne, een naam die de Franse natuuronderzoeker Pierre Belon al in 1555 voor deze soort gebruikte; mogelijk stamt het woord uit het Keltisch, met de betekenis 'bonte watervogel', dezelfde betekenis als het Engelse shelduck. De soortnaam herhaalt domweg de geslachtsnaam. De typelocatie ligt aan de Europese kust, in 1761 door Linnaeus zelf beperkt tot Zweden.


