Alle soortenEendachtigenEenden, ganzen en zwanen › Blauwvleugeltaling

Blauwvleugeltaling | Spatula discors

Blue-winged Teal | Cerceta aliazul

De blauwvleugeltaling is een van de eerste eenden die in het najaar naar het zuiden vertrekt en een van de laatste die in het voorjaar terugkeert, alsof hij de winter het liefst helemaal overslaat. Het mannetje draagt een leigrijze kop met een witte wenkbrauwvlek voor het oog en een gespikkeld kaneelbruin lijf; in de vlucht licht bij beide seksen een helderblauwe vleugelschouder op. Zijn naaste verwant, de kaneeltaling, ziet er in vrouwtjeskleed vrijwel identiek uit en is de klassieke verwarringssoort van het westen.

Blauwvleugeltaling (Spatula discors)
Foto: USFWS Midwest Region — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het mannetje laat een fijn, hoog fluitje horen, vaak in korte reeksjes, dat makkelijk over het hoofd wordt gezien tussen het geluid van andere eenden. Het vrouwtje kwaakt zachter en neusachtiger dan de wilde eend, in een korte, aflopende reeks. Bij het opvliegen van een groep klinkt een licht raspend geritsel van vleugels, vaak het eerste teken dat er talingen in de buurt zijn. Zang in de eigenlijke zin ontbreekt; de meeste geluiden dienen om het paar of de groep bijeen te houden.

Luister: RoepXC179673

Opname: Jonathon Jongsma — CC BY-SA 4.0 · Murphy-Hanrehan Park Reserve, Dakota, Minnesota, United States · xeno-canto

Herkenning

Het mannetje in prachtkleed heeft een blauwgrijze kop met een opvallende witte halvemaanvormige vlek net voor het oog, een gespikkeld kaneelbruin lichaam en een zwarte achterhand met een witte vlek opzij van de staart. Het vrouwtje is egaal gestreept lichtbruin, met een vrij klein, smal snaveltje en een onopvallende kop zonder duidelijke tekening. In de vlucht tonen beide seksen een lichtblauwe voorvleugel, begrensd door een groene spiegel met een witte rand — het kenmerk waaraan de soort zijn naam dankt. Het mannetje in eclipskleed, na de zomerrui, lijkt sterk op het vrouwtje en is dan vrijwel alleen aan de blauwe vleugelschouder te herkennen.

Verwarrings­soorten

Vrouwtjes en mannetjes in eclipskleed zijn nauwelijks te onderscheiden van de kaneeltaling (Spatula cyanoptera): die heeft een iets langere, bredere snavel en vaak een rode in plaats van bruine oogkleur, maar het verschil is alleen op korte afstand te zien. Het mannetje in prachtkleed is aan de witte halvemaanvlek voor het oog meteen te onderscheiden van het egaal kaneelrode kopje van de kaneeltaling. In het oosten van het areaal kan de zomertaling (Spatula querquedula) voor verwarring zorgen: het vrouwtje lijkt sterk op een vrouwtje blauwvleugeltaling maar heeft een scherper afgetekende lichte wenkbrauwstreep.

Leefgebied

Ondiepe zoetwatermoerassen met een dichte randbegroeiing, prairievennen, natte weilanden en overstroomde akkers zijn zijn favoriete broedbiotoop. Buiten het broedseizoen zoekt hij ook ondiepe kustmoerassen, mangrovelagunes en slikvelden op. Diep, open water en dicht bos mijdt hij; wat hij nodig heeft is ondiep water met voedsel vlak onder het oppervlak en dekking aan de rand om te nestelen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Broedt in de prairievijvers van de noordelijke Great Plains en de Canadese prairieprovincies, met kleinere populaties oostwaarts tot de Atlantische kust en verspreid in het westen. Vrijwel de hele populatie verlaat Noord-Amerika in de winter: de trek voert via de Golfkust naar Mexico, Midden-Amerika, het Caribisch gebied en het noorden van Zuid-Amerika. Hij is een van de snelste en vroegste trekvogels onder de Noord-Amerikaanse eenden — al in augustus vertrekken de eerste vogels, terwijl andere eendensoorten dan nog broeden.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Kijk in april naar de eerste terugkerende groepjes op een prairiemoeras, of juist in augustus naar de eerste zuidwaartse vogels — ruim voor de meeste andere eenden op trek gaan. De lichtblauwe vleugelschouder is op afstand het snelste kenmerk, maar onderscheidt de soort niet van de kaneeltaling; voor die twee is een blik op het gezicht nodig.

Staat van instandhouding

Een van de talrijkste eenden van Noord-Amerika, met een populatie die nauw samenhangt met de conditie van de prairievennen waarin hij broedt. Drooglegging van die vennen voor landbouw is de belangrijkste bedreiging op de lange termijn, deels opgevangen door beschermingsprogramma's voor watervogelgebied.

Wetenschappelijke naam

Spatula discors | (Linnaeus, 1766)

Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Anas discors, in het toenmalige verzamelgeslacht van bijna alle eenden. Boie richtte het geslacht Spatula al in 1822 op — Latijn voor 'lepel', naar de brede snavel van de slobeend — maar pas DNA-onderzoek uit 2009 toonde dat Anas uit een aantal niet nauw verwante takken bestond, waarna deze soort er opnieuw in werd geplaatst; vandaar de haakjes om auteur en jaartal. discors is Latijn voor 'verschillend' of 'afwijkend'. De typelocatie ligt in Virginia of Carolina.