Alle soorten › Eendachtigen › Eenden, ganzen en zwanen › Kaneeltaling
Kaneeltaling | Spatula cyanoptera
Cinnamon Teal | Cerceta Colorada
De kaneeltaling is een intens roodbruine eend van de moerassen in het westen, met als enige gelijkende soort zijn oostelijke neef de blauwvleugeltaling — de twee lijken sterk op elkaar. Ver naar het zuiden, in de Andes en de laaglanden van Zuid-Amerika, leven bovendien geheel eigen, honkvaste populaties van dezelfde soort.
Geluid
Het mannetje laat een zacht, ratelend geluidje en een reeks dunne fluittonen horen, vergelijkbaar met de blauwvleugeltaling maar net iets rauwer. Het vrouwtje kwaakt laag en zacht, nauwelijks te onderscheiden van dat van haar verwante soort. Groepen op het water houden onderling contact met korte, gedempte geluidjes, vooral tijdens het foerageren.
Opname: Bernabe Lopez-Lanus — CC BY-NC-SA 3.0 · Bajos Submeridionales (La Costa), rio Saladillo, San Cristobal, Santa Fe, Argentina · xeno-canto
Herkenning
Het mannetje in prachtkleed is egaal kaneelrood, van kop tot borst en flanken, met een rood oog en een lange, brede, aan het eind wat afhangende snavel. In de vlucht toont hij, net als de blauwvleugeltaling, een lichtblauwe vleugelschouder met een groene spiegel. Het vrouwtje is gestreept lichtbruin en vrijwel niet te onderscheiden van een vrouwtje blauwvleugeltaling, op de langere en bredere snavel na. Mannetjes in overgang naar prachtkleed tonen soms al een rode oogkleur terwijl het verenkleed nog grotendeels bruin is.
Verwarringssoorten
De blauwvleugeltaling (Spatula discors) is de onafscheidelijke verwarringssoort: vrouwtjes van beide soorten zijn in het veld nauwelijks te scheiden, en het beste kenmerk is de snavel — langer en breder bij de kaneeltaling, korter en smaller bij de blauwvleugeltaling. Het mannetje in prachtkleed verschilt duidelijk: de kaneeltaling heeft een egaal rode kop zonder tekening, de blauwvleugeltaling een witte halvemaanvlek voor het oog. Waar de arealen overlappen, in het westen van de Verenigde Staten, komen ook kruisingen voor.
Leefgebied
Ondiepe, dicht begroeide moerassen, brakke en licht zoute poelen, irrigatiesloten en aangelegde vijvers van het droge en halfdroge westen vormen zijn broedbiotoop. Buiten het broedseizoen zoekt hij ook brakke kustmoerassen op. Hij mijdt snelstromend water en dicht bos, net als de blauwvleugeltaling, en broedt bij voorkeur waar dichte oevervegetatie dekking biedt vlak bij open, voedselrijk water.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedt in het westen van de Verenigde Staten en het uiterste zuidwesten van Canada, ruwweg van Brits-Columbia zuidwaarts door het Grote Bekken tot New Mexico. Het grootste deel van deze populatie overwintert van Californië en Arizona zuidwaarts door Mexico tot Midden-Amerika, met een deel dat doortrekt tot in het noorden van Zuid-Amerika; in de moerassen van het Mexicaanse hoogland blijft ook een deel van de vogels het hele jaar. De volledig gescheiden Zuid-Amerikaanse populaties, in de Andes en de laaglanden van Peru tot Argentinië, vallen buiten het gidsgebied.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Controleer elke groep talingen op een moeras in het westen in het voorjaar op rode mannetjes — die vallen meteen op. Bij vrouwtjes en jonge vogels is een directe vergelijking met een blauwvleugeltaling ernaast de enige zekere manier om de snavel te beoordelen.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC). De Noord-Amerikaanse populatie is stabiel tot licht toenemend, ondanks dezelfde druk van drooglegging van moerasland als bij de blauwvleugeltaling. De soort wordt minder intensief bejaagd en gevolgd dan zijn talrijkere verwant, waardoor over de aantallen iets minder precies bekend is.
Wetenschappelijke naam
Spatula cyanoptera | (Vieillot, 1816)
Vieillot beschreef de soort in 1816 als Anas cyanoptera, op grond van een exemplaar uit de Río de la Plata en Buenos Aires — de typelocatie ligt dus in Argentinië, in het gebied van de zuidelijke ondersoorten, en niet in Noord-Amerika. Boie richtte het geslacht Spatula in 1822 op, Latijn voor 'lepel'; pas DNA-onderzoek uit 2009 bracht deze soort er definitief in onder, vandaar de haakjes om auteur en jaartal. cyanoptera is Grieks voor 'blauwvleugelig', naar de blauwe vleugelschouder die de soort met de blauwvleugeltaling deelt.




