Alle soorten › Pelikaanachtigen › Reigers › Noord-Amerikaanse roerdomp

Noord-Amerikaanse roerdomp | Botaurus lentiginosus

American Bittern | Avetoro Lentiginoso

De Noord-Amerikaanse roerdomp is een gedrongen, streperig bruine reiger die het liefst onopgemerkt blijft: bij gevaar strekt hij zijn nek en snavel recht omhoog en versmelt zijn getekende verenkleed met het rietdek eromheen. Zijn voorjaarsroep, een dreunend gepomp dat klinkt als een oude waterpomp, gaf de vogel bijnamen als 'paaldrijver' en 'donderpomper'. Ondanks zijn talrijkheid krijgt bijna niemand hem te zien.

Noord-Amerikaanse roerdomp (Botaurus lentiginosus)
Foto: USFWS Mountain-Prairie — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De baltsroep is een diep, hol gebonk van drie of vier lettergrepen — oenk-ka-tsjoenk — voortgebracht door lucht die in een speciaal opgeblazen deel van de slokdarm wordt samengeperst en dan met kracht uitgestoten; het geluid draagt over honderden meters door het riet. Vergelijkingen met 'de slokken van een dorstige reus' en klanknabootsende bijnamen als 'stake-driver' en 'thunder-pumper' verwijzen allemaal naar diezelfde roep. Mannetjes roepen vooral in de schemering aan het begin van het broedseizoen, meestal onzichtbaar diep in de vegetatie. Buiten de balts is de soort vrijwel stom.

Luister: ZangXC1013532

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · La Haute-Côte-Nord (near Grandes-Bergeronnes), Côte-Nord, Québec, Canada · xeno-canto

Herkenning

Het verenkleed is een fijn gestreept mengsel van bruin, oker en wit, van boven iets donkerder dan van onderen, met dezelfde kleur voor beide geslachten en het hele jaar door. In vlucht vallen de donkere, bijna zwarte handpennen op tegen de verder lichtbruine vleugel — een van de weinige echt betrouwbare kenmerken in de lucht. Aan de grond neemt de vogel bij verstoring de karakteristieke schrikhouding aan: snavel recht omhoog, nek gestrekt, lichaam bewegingloos of licht meewiegend met de wind, wat het silhouet tot een verticale rietstengel herleidt. De gele ogen zitten zo geplaatst dat de vogel zelfs in die houding recht naar beneden kan blijven kijken.

Verwarrings­soorten

Onvolwassen kwakken (Nycticorax nycticorax) zijn eveneens grof gestreept bruin, maar zwaarder gebouwd, met een dikkere snavel en een gedrongener nek-lichaamsverhouding; in vlucht ontbreekt bij de kwak het scherpe contrast tussen lichte vleugel en donkere handpennen. De veel kleinere Amerikaanse woudaap (Botaurus exilis) deelt het geslacht en de schrikhouding maar is nog geen half zo groot en zwart-oker in plaats van bruin gestreept. Vanuit het riet klinkt de roep van de Noord-Amerikaanse roerdomp bovendien zo laag en onherkenbaar dat hij eerder aan een groot zoogdier of een verre motor doet denken dan aan een vogel.

Leefgebied

De soort broedt in ondiepe, uitgestrekte moerassen met veel opgaande vegetatie, doorgaans minder dicht en minder diep dan het moeras waar de kleinere Amerikaanse woudaap de voorkeur aan geeft, van grote rietmoerassen tot veenmoeras en natte hooilanden. Buiten het broedseizoen zoekt hij ijsvrij water op, vaak in kustmoerassen en brakke wetlands langs de zuidgrens van zijn areaal. Voedsel wordt roerloos wachtend of in trage passen gezocht langs de rand van open water; de vogel mijdt dicht bos en, buiten de trek, open akkerland zonder moerasvegetatie.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Broedt over vrijwel geheel Canada en het noorden van de Verenigde Staten, van Alaska tot Newfoundland en zuidwaarts door de prairies tot in Californië, Colorado, de staten rond de Grote Meren en, lokaal, het noorden van Mexico; kleinere aantallen broeden verder zuidwaarts waar nog geschikt moeras resteert. Winters brengt de soort door in het zuiden van de Verenigde Staten en Mexico, met een deel van de populatie dat doortrekt tot in de West-Indische eilanden en zelfs Panama, dat buiten het gidsgebied ligt. Meer dan de helft van de oorspronkelijke moerasgebieden in de lagere negenenveertig staten is inmiddels verdwenen, wat het areaal sterker heeft versnipperd dan gekrompen.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Luister bij zonsondergang in mei of juni aan de rand van een groot rietmoeras naar het dreunende gepomp — dat draagt veel verder dan de vogel ooit zichtbaar zal zijn. Zie je een verticale, bewegingloze 'rietstengel' met een net iets te dik onderlijf, kijk dan naar de ogen: die van een echte roerdomp blijven op jou gericht, ook al staat de snavel recht omhoog.

Staat van instandhouding

De wereldwijde broedpopulatie wordt geschat op ongeveer tweeënhalf miljoen vogels en de IUCN beoordeelt de soort als niet bedreigd (LC), al zijn er sinds het midden van de twintigste eeuw regionale afnames vastgesteld in delen van de Verenigde Staten en Canada. Verlies van moerasgebied door drainage en de omzetting naar landbouwgrond blijft de voornaamste bedreiging, naast verontreiniging met pesticiden.

Wetenschappelijke naam

Botaurus lentiginosus | (Rackett, 1813)

Rackett beschreef de soort in 1813 als Ardea lentiginosa, in het toenmalige verzamelgeslacht voor reigers en op basis van een dwaalgast die in Engeland was geschoten; sindsdien is de soort naar een ander geslacht verhuisd, vandaar de haakjes om auteur en jaartal. Stephens voerde het geslacht Botaurus in 1819 in, een naam die Middeleeuws Latijn bos ('rund') met taurus ('stier') combineert, naar het holle, bulderende geluid van de roep. Het epitheton lentiginosus is Latijn voor 'sproeterig' of 'gevlekt', naar de fijne streeptekening van het verenkleed. De typelocatie, Piddletown in Dorset, Engeland, ligt duizenden kilometers van het feitelijke areaal — het gaat om een dwaalgast, geen vaste populatie.