Alle soorten › Zangvogels › IJsgorzen en sneeuwgorzen › McCowns IJsgors
McCowns IJsgors | Rhynchophanes mccownii
Thick-billed Longspur | Escribano de McCown
McCowns ijsgors is de ijsgors van de kortgrasprairie: een gedrongen grondvogel met een zware, dikke snavel en in alle kleden een witte staart met een zwarte T. Hij broedt op de droogste, kaalste stukken van de noordelijke Great Plains en heeft van alle prairievogels een van de scherpste afnames achter de rug.
Geluid
De zang bestaat uit een reeks heldere, klinkende fluittonen die omlaag en weer omhoog buitelen en enkele seconden duurt; het mannetje draagt hem vrijwel alleen voor in de baltsvlucht. Hij klimt tot ruim tien meter, spreidt vleugels en staart en laat zich met opgeheven vleugels als een parachute naar de grond zakken terwijl hij zingt. De roep is een droge, korte ratel, vaak te horen als een winterse troep opvliegt, daarnaast een zacht tsjoe.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Het broedende mannetje heeft een zwarte kruin, een wit gezicht met een zwarte baardstreep, een grijze rug en flanken en een zwarte halvemaan op de borst. Op de schouder ligt een roestbruin vlak. De snavel is fors, kegelvormig en met een brede basis, in de zomer donker. Vrouwtjes en winterkleed zijn zandbruin en vaag getekend, met een roze snavel en hooguit een vleugje roestbruin op de schouder. Het staartpatroon is bij alle kleden gelijk: wit met een zwarte omgekeerde T van de eindband en de middelste staartpennen.
Verwarringssoorten
De roodhalsgors heeft een volledig zwarte buik in broedkleed en in alle kleden een zwarte driehoek op een witte staart, niet een T. De bonte ijsgors is langer, met een dunne snavel, een roodbruine nek en veel minder wit in de staart. De strandleeuwerik, waarmee hij vaak in één troep zit, heeft een dunne spitse snavel, zwarte wangstrepen en een donkere staart met witte buitenranden. In de winter beslist dus de zware snavel plus het T-patroon, niet de vage kop- en borsttekening.
Leefgebied
Kortgrasprairie met blauwgrama en buffelgras, op de droogste, meest kortgeschoren stukken, met open zand of kale grond tussen de graspollen en verspreide cactussen of lage struiken. Begrazing door bizons hield het gras vroeger kort; nu zijn zwaar begraasde veeweiden en de omgeving van prairiehondenkolonies geschikt. In de winter zit hij op kortgrasvlakten, droogliggende meerbodems, alkalivlakten en geploegde akkers, in troepen die met andere ijsgorzen zijn gemengd.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het broedgebied ligt in Zuid-Alberta en Zuid-Saskatchewan, Montana, Wyoming, de westelijke Dakota's en Noordoost-Colorado. Dat is een fractie van het historische areaal: rond 1900 broedde hij nog tot in Manitoba, Minnesota en Oklahoma. In de winter trekt hij naar Zuidoost-Colorado, Oklahoma, New Mexico, Zuidoost-Arizona en de hoogvlakten van Texas, en verder naar Noord-Mexico. Voor Mexico is de precieze verdeling over deelstaten lastig vast te stellen; Chihuahua vormt zeker het zwaartepunt, met kleinere aantallen in Sonora, Coahuila en Durango.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Rijd in mei of juni langs een grindweg door zwaar begraasde kortgrasprairie in Noordoost-Colorado of Zuidoost-Wyoming en zoek naar een mannetje dat zingend omlaag zweeft; dat silhouet is op afstand herkenbaar. In de winter loont het een troep op een kaal veld op te laten vliegen: het staartpatroon in de vlucht is betrouwbaarder dan het verenkleed van een zittende vogel.
Staat van instandhouding
De soort staat als niet bedreigd op de Rode Lijst, maar het State of the Birds-rapport van 2025 plaatst haar als rode-alarmsoort op het kantelpunt: meer dan de helft van de populatie is in vijftig jaar verdwenen. De oorzaak ligt in het verlies van kortgrasprairie aan akkerbouw en energiewinning, het uitblijven van begrazing op de resterende stukken en de bestrijding van prairiehonden, wier kolonies juist het kale terrein leveren dat hij nodig heeft. Het huidige broedareaal beslaat nog maar een deel van het historische.
Wetenschappelijke naam
Rhynchophanes mccownii | (Lawrence, 1851)
George Newbold Lawrence beschreef de soort in 1851 als Plectrophanes mccownii, naar een exemplaar van de hoge prairies van West-Texas; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. De soortnaam eert John Porter McCown, kapitein in het Amerikaanse leger, die het type verzamelde. Het geslacht Rhynchophanes komt van het Griekse rhynchos 'snavel' en phainein 'tonen', naar de opvallend zware snavel. Om die reden verving de American Ornithological Society de Engelse naam McCown's Longspur in 2020 door Thick-billed Longspur, een letterlijke vertaling van de geslachtsnaam; de Nederlandse naam houdt de oude vorm aan.




