Alle soorten › Zangvogels › IJsgorzen en sneeuwgorzen › Sneeuwgors

Sneeuwgors | Plectrophenax nivalis

Snow Bunting | Escribano nival

De witste zangvogel van het noordelijk halfrond, en degene die het dichtst bij de pool broedt: op Groenland tot in de noordelijkste steenwoestijn. Het mannetje is in de zomer sneeuwwit met een zwarte rug en zwarte vleugelpunten; in de winter draagt hij een roestbruine waas die niet wordt weggeruid maar afslijt. Wintergroepen golven laag over kale akkers en stranden en laten daarbij grote witte vleugelvlakken zien.

Sneeuwgors (Plectrophenax nivalis)
Foto: Drew Avery — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een kort, luid en helder strofetje van een stuk of zeven noten met een rollend einde, dat over een steenveld ver draagt: tsjrie-tsjrie-tsjieroe-wie. Het mannetje zingt vanaf een steen of in een korte zangvlucht met opgeheven, trillende vleugels. De vluchtroep is een droog, rollend pirr, met daarnaast een helder fluitend tjoe; in een overvliegende wintergroep is dat gerol het geluid waaraan je de soort herkent. Op de broedplaats klinkt de zang al vanaf begin april, wanneer het nog ruim onder nul is.

Luister: RoepXC1173234

Opname: Mats Rellmar — CC BY-NC-SA 4.0 · Longyearbyen, Spitsbergen, Norway · xeno-canto

Herkenning

Het mannetje is in broedkleed zuiver wit met een zwarte rug, zwarte handpennen en een zwarte snavel; in de vlucht is meer dan de helft van de vleugel wit. Het vrouwtje is in de zomer grijzer op kop en rug en heeft minder wit in de vleugel. In winterkleed dragen beide een okerbruine tot roestige waas op kruin, wang en rug en een oranjegele snavel, zodat de vogel op de grond bruin lijkt en pas bij het opvliegen wit blijkt. Jonge vogels zijn grijzig, met een streperige borst en het minste wit. Het broedkleed ontstaat niet door een rui maar doordat de bruine veerpunten in de loop van de winter afslijten, mede doordat de vogels zich tegen sneeuw en steen schuren.

Verwarrings­soorten

McKays sneeuwgors (Plectrophenax hyperboreus) van de eilanden in de Beringzee is nog witter: het mannetje heeft een vrijwel geheel witte rug en zwart alleen in de vleugelpunt en aan het staarteinde. De ijsgors (Calcarius lapponicus), waarmee hij in de winter vaak in dezelfde groep zit, is veel donkerder en bruiner en heeft geen wit vleugelvlak; op geluid is hij te scheiden aan een hard tjek tussen het rollen door. De strandleeuwerik (Eremophila alpestris) loopt in dezelfde velden maar is bruin met een zwarte gezichtstekening, en toont in de vlucht een zwarte staart in plaats van witte vleugelvlakken.

Leefgebied

In de broedtijd steenveld, blokveld, klifvoet en de kale delen van de arctische toendra, waar losse stenen een spleet bieden om diep in te nestelen. Groenland is daarvan het duidelijkste voorbeeld: langs de hele ijsvrije kust, tot in het uiterste noorden, is dit de gewoonste landvogel. In de winter kaal, open en vlak land — geoogste akkers, stoppelvelden, wegbermen, zeedijken, duinen en de vloedlijn van stranden. Bos, struweel en hoog gras mijdt hij volledig.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Broedvogel van de hele Noord-Amerikaanse Arctis: Groenland, de Canadese eilanden en het vasteland van Nunavut en de Northwest Territories, Noord-Quebec, Labrador en Noord- en West-Alaska; buiten dit gebied broedt hij rond de hele pool. In het najaar trekt hij zuidwaarts en overwintert hij in een brede band van Zuid-Canada tot in de noordelijke Verenigde Staten, met de zuidgrens ongeveer op de lijn Nebraska–Ohio–Virginia. In Manitoba, Quebec, Labrador en Alaska broedt hij in het noorden en overwintert hij in het zuiden, zodat hij daar het hele jaar in de streek is. Hoe ver hij komt hangt van de winter af: in strenge jaren duiken groepen op waar in zachte winters niets zit.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Rijd in december of januari langs een zeewering of over een landweg door open akkerland en let op de bermen: de groepen zitten laag en zien er bruin uit, tot ze opgaan en het wit uit de vleugel komt. Ze keren meestal na een korte boog op vrijwel dezelfde plek terug, dus wachten loont. Op de broedplaats hoef je niet te zoeken: daar zingt het mannetje vanaf de grootste steen in de omgeving.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC), met een geschatte broedpopulatie van 29 miljoen vogels. Toch is hij tussen 1970 en 2014 met ongeveer 38 procent afgenomen en staat hij op de lijst van gewone vogels die sterk teruglopen. In het winterkwartier scheelt het aan voedsel: onkruidzaad langs akkerranden verdwijnt, en zachtere winters verschuiven de verspreiding noordwaarts. Op de broedplaats gaat het om de arctische zomer zelf, die korter en onvoorspelbaarder wordt.

Wetenschappelijke naam

Plectrophenax nivalis | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Emberiza nivalis, bij de gorzen; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Plectrophenax werd in 1882 ingevoerd door Stejneger, uit het Griekse plektron 'spoor' en phenax 'bedrieger' — te lezen als een vogel die de lange spoornagel van de ijsgorzen draagt zonder er een te zijn. nivalis is Latijn voor 'van de sneeuw'. De typelocatie is Lapland: Linnaeus kende de vogel uit Zweden en niet uit Amerika.