Alle soorten › Zangvogels › IJsgorzen en sneeuwgorzen › IJsgors
IJsgors | Calcarius lapponicus
Lapland Longspur | Escribano lapón
De ijsgors is de talrijkste zangvogel van de Noord-Amerikaanse Arctis: van Alaska tot Groenland broedt hij op vrijwel elke vierkante kilometer natte toendra. In de winter verdwijnt hij naar de vlakten, waar troepen van honderden tot duizenden vogels over stoppelvelden en wegbermen golven en op de grond nauwelijks te zien zijn. Aan de achterteen draagt hij een lange, vrijwel rechte nagel — de spoornagel waaraan de groep haar Engelse naam dankt.
Geluid
De zang is een korte, rollende strofe van heldere, muzikale noten die naar het einde versnelt en wegvalt; het mannetje klimt daarvoor van een pol omhoog, spreidt de vleugels en zingt terwijl hij als een parachute terugzakt. De gewone roep is een droog, hard tjek, vaak gecombineerd met een korter, fluitend tjoe. In een overvliegende wintertroep is dat harde tjek het kenmerk: tussen het rollende pirr van de sneeuwgorzen door klinkt het als een tik tegen glas. Op de broedplaats zingt hij zolang het licht is, en in de poolzomer betekent dat vrijwel de klok rond.
Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · Soppavann, Finland · xeno-canto
Herkenning
Het mannetje in broedkleed heeft een zwarte kop, keel en bovenborst, een brede roomwitte streep die van achter het oog naar de zijborst doorloopt, en een roestrode nek. Het vrouwtje is bruin en gestreept, met een lichter wangvlak dat door een donkere rand wordt omsloten en meestal een zweem roestrood in de nek. In winterkleed verdwijnt het zwart onder lichte veerranden, zodat ook het mannetje bruin en gestreept oogt; de donkere omlijsting van de wang, het roestrood in de vleugel en een fijn gestreepte flank blijven staan. Zodra de vogel opvliegt zijn twee witte buitenste staartpennen te zien, en de lange rechte nagel aan de achterteen is bij een zittende vogel van dichtbij te zien. Hij loopt en kruipt over de grond in plaats van te huppen, en drukt zich bij gevaar plat, zodat een troep van honderden vogels ineens weg lijkt.
Verwarringssoorten
De sneeuwgors (Plectrophenax nivalis) zit vaak in dezelfde wintertroep, maar is veel witter en toont in de vlucht grote witte vlakken in de vleugel; de ijsgors heeft alleen twee witte staartranden. De bonte ijsgors (Calcarius pictus) is warmer okergeel op de onderzijde, heeft meer wit in de staart en houdt zich in de winter in hoger, droger gras op, in een smalle band van Texas tot Illinois. De strandleeuwerik loopt in dezelfde velden, maar heeft een zwarte gezichtstekening en een zwarte staartzijde in plaats van witte. De zanggors is in winterkleed even bruin en gestreept, maar heeft een lange ronde staart zonder wit, houdt zich in struweel op en huppelt in plaats van te lopen.
Leefgebied
Broedt op natte toendra: zeggenvlakten, veenpolygonen, hellingen met dwergwilg en dwergberk, en de randen van poelen, van zeeniveau tot in de bergtoendra. Het nest ligt diep in een pol, gevoerd met veren en haar, en is van bovenaf niet te zien. In de winter zoekt hij het kaalste open land dat er is: geoogste akkers, stoppels, kortgrasprairie, wegbermen, vliegvelden en de vloedlijn van stranden. Bos, struweel en hoog gras mijdt hij volledig, en in de winter gaat hij zelden op een tak of draad zitten — wie hem zoekt, kijkt naar de grond.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedvogel van de hele Noord-Amerikaanse Arctis: Alaska, de Yukon, de Northwest Territories, Nunavut, de kust van Hudsonbaai in Manitoba en Ontario, Noord-Quebec, Labrador en heel Groenland; daarbuiten broedt hij rond de hele pool. In het najaar trekt hij naar een brede winterband van Zuid-Canada tot in Texas, met het zwaartepunt op de Great Plains en op de akkers van het Middenwesten. In Manitoba, Ontario en Quebec broedt hij in het noorden en overwintert hij in het zuiden, zodat hij daar het hele jaar in de provincie is. Hoe ver zuidwaarts de troepen komen hangt van de sneeuw af: raken de velden bedekt, dan schuift het hele beeld in enkele dagen honderden kilometers op, en bij dooi even snel weer terug.
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Rijd in januari of februari langs een landweg door open akkerland en let op wat er van de berm opgaat: op de grond zijn de troepen bruin en onopvallend, maar bij het opvliegen roepen ze hard en laten ze de witte staartranden zien. Ze draaien meestal een boog en vallen weer vrijwel op dezelfde plek in, dus blijf staan en laat ze terugkomen in plaats van ze achterna te lopen. In gemengde troepen met sneeuwgorzen en strandleeuweriken zitten de ijsgorzen meestal het dichtst bij de grond en in het midden van de groep.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC), en een van de talrijkste vogels van de Arctis: de broedpopulatie wordt op tientallen miljoenen vogels geschat. De trend is niettemin dalend — de wintertellingen op de Great Plains en in het Middenwesten laten sinds de jaren zeventig een duidelijke afname zien. In het winterkwartier gaat het om voedsel: het onkruidzaad langs akkerranden verdwijnt met schoner en dichter beteeld land. Op de broedplaats telt het weer: een koude, natte junimaand kan in één seizoen hele streken zonder jongen laten.
Wetenschappelijke naam
Calcarius lapponicus | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Fringilla lapponica, bij de vinken; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Calcarius werd in 1802 ingevoerd door Bechstein, naar het Latijnse calcar 'spoor', naar de lange rechte nagel aan de achterteen. lapponica betekent 'uit Lapland'. De typelocatie is dan ook Lapland: Linnaeus kende de vogel van zijn reis door het noorden van Zweden en niet uit Amerika, waar dezelfde soort langs de hele Arctische kust blijkt te broeden.




