Alle soorten › Zangvogels › IJsgorzen en sneeuwgorzen › Bonte IJsgors
Bonte IJsgors | Calcarius pictus
Smith's Longspur | Escribano de Smith
De bonte ijsgors broedt op de open zeggevlakten bij de boomgrens van Alaska en Noord-Canada en overwintert op korte graslanden en vliegvelden in het midden-zuiden van de Verenigde Staten. Het mannetje is in zomerkleed oranjebruin van keel tot buik, met een zwart-wit getekende kop. De soort heeft een paarsysteem waarbij zowel mannetjes als vrouwtjes meerdere partners hebben.
Geluid
De zang is een korte, snel stijgende warrel die eindigt in een omhooggetrokken slotnoot; hij wordt vaak vanaf de grond of een lage struik gezongen, niet in een hoge zangvlucht zoals bij de roodhalsgors. De roep is een droge, tikkende ratel die klinkt als een verkorte versie van de ratel van een bruinkopkoevogel. Op doortrek is die ratel vaak het enige wat je van een overvliegende groep merkt.
Opname: Andrew Spencer — CC BY-NC-SA 4.0 · Dempster Highway KM 449, Yukon, Canada · xeno-canto
Herkenning
Slanker en langer van staart dan de roodhalsgors, met een fijne, spitse snavel. Het broedmannetje heeft een egaal oranjebruine onderzijde en nek, een zwarte kop met een witte oorvlek, een witte wenkbrauwstreep en een witte vlek op de schouder die bij zittende vogels vaak half verscholen zit. Vrouwtjes, jonge vogels en wintervogels zijn okerbruin met fijne streping op borst en flanken, met een zwak omlijnde oorvlek en een smalle, donkere oogstreep. Alle kleden hebben een donkere staart met witte buitenste staartpennen.
Verwarringssoorten
De roodhalsgors is korter van staart, bleker zandkleurig en heeft een witte staart met een zwarte middendriehoek, terwijl de bonte ijsgors een donkere staart met witte randen heeft. De ijsgors is groter en zwaarder van snavel en heeft roodbruin in de vleugel en een duidelijke lichte rand rond de wangvlek. De okerkleurige, fijn gestreepte onderzijde zonder scherpe borstband is bij de bonte ijsgors in alle kleden het houvast; de witte schoudervlek van het mannetje is diagnostisch maar alleen bij goede zichtomstandigheden bruikbaar.
Leefgebied
Broedt in natte zeggevelden, moerassige toendraweiden en open plekken met verspreide dwergberken en wilgen bij de boomgrens, ook op alpiene hellingen in de bergen van Alaska en Yukon. Buiten de broedtijd is het een vogel van kaal, kort terrein: zwaar begraasde weiden, stoppelvelden, prairieresten en de grasstroken langs start- en landingsbanen, waar hij in dichte groepen op de grond foerageert en pas op korte afstand opvliegt.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het broedareaal loopt van Noord- en Centraal-Alaska door Yukon en de Northwest Territories tot Noord-Manitoba en de laaglanden aan de Hudsonbaai in Noord-Ontario. De trek verloopt in een lus: in het voorjaar meer oostelijk, door Illinois en het Midwesten, in het najaar westelijker over de Great Plains. Overwintert in een beperkt gebied van Zuid-Kansas, Oklahoma, Noord-Texas, Arkansas, Zuidwest-Missouri en Noordwest-Louisiana; buiten dat blok is de soort in de winter zeldzaam.
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
In de winter is een kort begraasd veld of het grasland langs een klein vliegveld in Oklahoma of Noordoost-Texas de beste plek: loop langzaam door het gras tot een groep opvliegt en luister naar de tikkende ratel. In het voorjaar, eind maart en april, zijn de mannetjes in Illinois en Missouri al in oranjebruin kleed te zien. Blijf laag bij de grond kijken — de soort zit zelden op een paal of draad.
Staat van instandhouding
De wereldpopulatie wordt geschat op ongeveer 75.000 broedvogels en de soort geldt als niet bedreigd (LC), maar het broedgebied wordt door vrijwel geen enkele reguliere telling bestreken, zodat de trend slecht bekend is. Het oprukken van struiken en bomen over de toendra bij een warmer klimaat verkleint het open terrein waarvan de soort afhangt. In het kleine overwinteringsgebied hangt hij af van kort grasland en begraasde weiden; omzetting van die percelen naar akkerbouw of bebouwing is daar de belangrijkste verandering.
Wetenschappelijke naam
Calcarius pictus | (Swainson, 1832)
Swainson beschreef de soort in 1832 als Emberiza (Plectrophanes) picta, naar een vogel van Carlton House in Saskatchewan; door de latere plaatsing in Calcarius staan auteur en jaartal tussen haakjes. Calcarius gaat terug op het Latijnse calcar 'spoor', naar de verlengde achternagel. De soortnaam pictus is Latijn voor 'geschilderd', naar de scherpe zwart-witte koptekening. De Engelse naam gaat terug op Audubon, die de vogel in 1844 opnieuw benoemde naar zijn kennis Gideon B. Smith uit Baltimore, nadat een eerdere determinatie onjuist was gebleken.





