Alle soorten › Zangvogels › Buidelmezen › Buidelmees

Buidelmees | Remiz pendulinus

Eurasian Penduline-Tit | Pájaro moscón europeo | Beutelmeise | רמית | Rémiz penduline

De buidelmees is geen echte mees maar een wever: het mannetje bouwt uit wilgenpluis en brandnetelvezels een viltige beurs met een tuit, die aan een dunne twijg boven het water hangt. Aan de noordwestrand van zijn areaal was hij twintig jaar lang in veel rietmoerassen te vinden; nu is hij er schaars.

Buidelmees (Remiz pendulinus)
Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is het bruikbaarste kenmerk in het veld: een hoog, ijl, langgerekt en licht dalend tsiiiuu, dun als een pieptoon en makkelijk te missen tussen rietzangers en karekieten. Vaak hoor je het geluid pas als de vogel al overvliegt. Daarnaast een kort tsie-tsie in contact en een zacht, sissend zangetje van het mannetje bij het nest. Meest te horen van eind maart tot juni, en opnieuw bij de doortrek in september en oktober.

Luister: RoepXC1054638

Opname: Sonothèque ADVL — CC0 · xeno-canto

Herkenning

Piepklein en fijngebouwd, met een korte, priemvormige snavel en een naar verhouding lange staart. Het volwassen mannetje heeft een lichtgrijze kop met een breed, gitzwart masker dat over het oog tot achter de wang doorloopt, een roestbruine mantel en een lichte, zandkleurige onderzijde. Bij het vrouwtje is het masker smaller en meer bruinzwart en is de mantel doffer. Jonge vogels missen het masker volledig en zijn dan effen zandbruin met een lichte kop — een reëel struikelblok in juli en augustus. Het nest is een kenmerk op zich: een grijs, viltig, peervormig zakje van vijftien tot twintig centimeter met een korte instaptuit opzij, hangend aan een wilg, populier of tamarisk boven water.

Verwarrings­soorten

Weinig. Op formaat en gedrag doet hij denken aan een baardmannetje, maar dat heeft een lange, smalle staart, een oranjebruin lijf en bij het mannetje een grijze kop met een hangende zwarte snor in plaats van een masker. Een grauwe klauwier heeft ook een zwart oogmasker, maar is drie keer zo groot en zit op uitkijkposten in struweel. Jonge buidelmezen zonder masker kunnen op een vale, kleine zanger lijken; let dan op de priemvormige snavel, de zandbruine tint en de manier waarop de vogel als een mees ondersteboven aan een rietpluim hangt.

Leefgebied

Rietkragen, wilgenstruweel en jonge populieren langs rivieren, oude armen, kleiputten, plassen en kanalen; altijd waar riet en zachte, pluizende boomsoorten bij elkaar staan. Het mannetje begint meerdere nesten tegelijk en probeert daarmee verschillende vrouwtjes te lokken; het broedsysteem is losjes en beide ouders kunnen het legsel in de steek laten. Foerageert op insecten en later in het jaar op rietzaad en wilgenpluis.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Midden-, Oost- en Zuid-Europa, met een verspreiding die de grote rivierdalen volgt, oostwaarts tot in Anatolië en de Kaukasus. Aan de noordwestrand vestigde hij zich in de jaren tachtig, piekte in de jaren negentig en is sindsdien hard teruggelopen. In het Middellandse Zeegebied is hij gewoon: hij broedt in de wilgen- en rietzones van de Ebro en andere grote rivieren en overwintert in aantal in de rietvelden van de Iberische oostkust, de rijstvelden en de marismas (getijdenmoerassen van de Guadalquivirmonding, deels verzilt) van de Guadalquivir, en verder op het Apennijns schiereiland en in de Levant.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Loop in april en mei langs een rietkraag met wilgen aan een rivier, oude rivierarm of kleiput en luister naar het ijle tsiiiuu boven het riet. Scan daarna de dunne, overhangende wilgentakken boven water op het grijze zakje: een verlaten nest uit een vorig jaar hangt er soms nog maanden en verraadt de plek. In het Middellandse Zeegebied is een winterse rietkraag in de Ebrodelta of Doñana veel productiever.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd en in Zuid- en Oost-Europa talrijk, maar aan de noordwestrand van het areaal in de terugtocht. Daar is de soort na een korte bloei als broedvogel grotendeels verdwenen, zonder dat duidelijk is waarom; verruiging en verdroging van rietkragen, het verdwijnen van jonge wilgenopslag en de kwaliteit van het overwinteringsgebied worden alle genoemd.

Wetenschappelijke naam

Remiz pendulinus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Motacilla pendulinus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Remiz werd in 1819 ingevoerd door Jarocki. Remiz is het Poolse woord remiz voor de buidelmees. pendulinus is Latijn voor 'hangend', bij pendulus, naar het beursvormige nest dat aan een tak hangt. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Polen.