Alle soorten › Zangvogels
Zangvogels | Passeriformes
Passerines | Paseriformes
Je herkent deze vogels aan de voet: drie tenen naar voren, één krachtige achterteen op dezelfde hoogte, met een pees die zich vanzelf strak trekt zodra het been buigt, zodat een slapende vogel op zijn tak blijft zitten. De stemkop is ingewikkeld gebouwd, met meerdere paren spieren, en daaraan danken de meeste soorten hun uitgewerkte zang. Het zijn vrijwel allemaal kleine vogels die een nest bouwen en daarin naakte, blinde jongen grootbrengen, die door beide ouders worden gevoerd en het nest pas na dagen verlaten. Ruim de helft van alle vogelsoorten ter wereld staat in deze orde.
Families in deze orde
Echte zangvogels | PasseriWat deze groep binnen de orde apart zet, is dat de zang niet vastligt maar moet worden geleerd: een jonge vogel neemt in zijn eerste maanden het voorbeeld van volwassen buren over, en daardoor klinkt één soort van streek tot streek anders. Het stemorgaan draagt daarvoor het volledige aantal spierparen; sommige soorten brengen zo twee tonen tegelijk voort, andere nemen hele stukken uit het geluid van hun omgeving over. Zang dient zowel om een territorium af te bakenen als om een partner te kiezen, en veel soorten hebben er een vast repertoire van tientallen motieven voor. Met ruim vierduizend soorten vormt de groep het grootste deel van de orde; hij komt over de hele wereld voor en is het rijkst aan vormen in Australië en omgeving.
Kraaien en verwanten | CorvidesNaar zangvogelmaten grote, zwaar gebouwde vogels met een krachtige, vaak licht gehaakte snavel, die eten wat voorhanden is: insecten en vruchten, maar ook eieren, jonge vogels en aas. Naar verhouding tot hun lichaam hebben ze de grootste hersenen van alle vogels, en dat is te merken aan hun geheugen voor plaatsen, hun omgang met voorwerpen en het gemak waarmee ze geluiden nadoen. Ze worden oud, blijven vaak jarenlang bij dezelfde partner en leven in familiegroepen waarin jongen van het vorige jaar meehelpen bij het grootbrengen van een nieuw broedsel. Het legsel is klein en het nest een stevige kom hoog in boom of struik. Het zwaartepunt van de groep ligt in Australazië en op de eilanden ten noorden van Australië, en de meeste soorten blijven het hele jaar in hun gebied.
- Tsjagra's en bosklauwieren | Malaconotidae1 soortKlauwierachtige zangvogels van struweel en doornbos, met een zware, aan de punt gehaakte snavel en stevige poten waarmee ze grote insecten, hagedissen en jonge vogels vastzetten. Anders dan de echte klauwieren zitten ze zelden op een open uitkijkpost; ze schuifelen door het dichtste deel van de struik en zijn veel vaker te horen dan te zien. Het geluid is het kenmerk van de familie: heldere gefloten reeksen die man en vrouw als een duet in elkaar schuiven, zo strak op elkaar aansluitend dat het als één vogel klinkt — een manier om in dekking het territorium te verdedigen en het paar bijeen te houden. Veel soorten dragen een zwarte kopkap of een zwart masker over een egale rug; de vlucht is kort en zwaar, van struik naar struik.
- Vireo's | Vireonidae1 soortVireo's zijn kleine tot middelgrote zangvogels van Amerika; geen enkele soort broedt in Europa, maar enkele Noord-Amerikaanse trekkers halen in de herfst met westerstormen de Atlantische kusten. Uiterlijk houden ze het midden tussen een zanger en een klauwiertje: groenig of grijs boven, bleek onder, met een steviger snavel dan een zanger heeft en een klein haakje aan de punt. Kop- en oogstreeptekening is het belangrijkste kenmerk. Ze bewegen traag en bedachtzaam door het bladerdak, waar ze rupsen en andere insecten van de bladeren plukken en buiten de broedtijd ook bessen eten. Het nest is een diep, kommetjesvormig bouwsel dat in een vertakking hangt. Het zijn onvermoeibare zangers die de hele dag door blijven roepen, ook in de middaghitte.
- Wielewalen | Oriolidae1 soortMiddelgrote kroonbewoners met een vrij zware, licht gebogen snavel met een haakje aan de punt, waarmee ze zowel behaarde rupsen als zacht fruit aankunnen. De mannetjes zijn fel geel of oranje met zwart, de vrouwtjes en jonge vogels groenig en fijn gestreept; juist dat felle geel valt in zonbeschenen bladeren nauwelijks op. Het nest is een hangende kom die als een hangmat tussen de twee armen van een horizontale takvork wordt geweven, hoog in loofbomen. Ze blijven in de kruin en verraden zich eerder met heldere fluittonen dan met een zichtbaar silhouet.
- Klauwieren | Laniidae9 soortenEen haaksnavel met een tandje in de snijrand van de bovensnavel, waarmee de prooi in de nek wordt gedood: dit zijn zangvogels die als roofvogel jagen, maar met gewone zangvogelpoten die de prooi niet kunnen vasthouden. Daarom spietsen ze insecten, hagedissen en muizen op doorns of prikkeldraad, om ze vast te zetten en ze als voorraad te bewaren. Ze zitten stil en rechtop op een uitkijkpost boven open terrein met verspreide struiken, en vallen van daaruit omlaag; het zwarte oogmasker, de grote kop en de lange staart horen bij vrijwel iedere soort. Het nest is een stevige kom diep in een doornstruik.
- Kraaiachtigen | Corvidae15 soortenDe grootste en zwaarstgebouwde zangvogels, met een krachtige snavel voor alle werk, borstelveertjes over de neusgaten en stevige poten waarmee ze zowel lopen als huppen. Ze eten vrijwel alles, verstoppen voedsel voor later en onthouden waar het ligt; hun hersenen zijn naar verhouding de grootste van alle vogels, wat te zien is aan het gemak waarmee ze werktuigen, kadavers en menselijke gewoonten benutten. Een echte zang ontbreekt — de roep is hard en schor — maar veel soorten bootsen andere geluiden na. De partners blijven jaren bij elkaar, bouwen een omvangrijk takkennest en zien er onderling gelijk uit.
Mussen en verwanten | PasseridesTegenover de kraaiengroep staat hier de andere helft van de zangvogels: overwegend kleine, licht gebouwde vogels met een fijne snavel, die insecten, zaden en nectar van blad, twijg en bodem plukken. Ze leggen grotere legsels, brengen vaak twee of drie broedsels per jaar groot en bouwen daarvoor een open kom of een gesloten nest in dekking, in een holte of tegen een muur. In het noorden verdwijnt het merendeel zodra de insecten opraken en wordt het territorium in het voorjaar met zang opnieuw opgeëist. Buiten Australazië is dit verreweg de talrijkste groep zangvogels: vrijwel elke zangvogel die je in Europa ziet, hoort hier.
Mezen, zwaluwen en zangers | SylviidaKleine insecteneters met een dunne, spitse snavel, die hun voedsel tussen blad en twijgen vandaan halen of het in de lucht vangen. Het kleed is groen, grijs of bruin, met weinig verschil tussen man en vrouw en vaak nog minder tussen nauw verwante soorten - het is de groep waar de vogelaar meer aan zijn oor dan aan zijn oog heeft. Het nest ligt diep in de begroeiing, in een holte of als gesloten bal tussen de stengels, en het legsel is voor zangvogels groot. Veel soorten brengen de winter ten zuiden van de Sahara of in Zuid-Azië door, en buiten de broedtijd trekken ze in gemengde groepjes door struweel en kruinen.
- Buidelmezen | Remizidae2 soortenZeer kleine vogels met een fijne, spits toelopende kegelsnavel waarmee ze kleine insecten, spinnen en zaden uit riet, wilg en populier pikken. Het kenmerk van de familie is het nest: een hangende beurs van plantenpluis en spinrag, vast om afhangende twijgen gevilt, met een korte instaptuit opzij, zodat er van onderaf niets bij kan. Aan zo'n nest wordt vaak wekenlang gebouwd, maar het broeden komt in de regel neer op één ouder: de andere verlaat het nest en begint elders opnieuw. Het geluid is een dun, ijl fluitje dat gemakkelijk over het hoofd wordt gezien.
- Mezen | Paridae10 soortenKleine, gedrongen vogels met een korte, sterke snavel en krachtige poten; ze foerageren acrobatisch aan de uiteinden van twijgen, ondersteboven hangend, en klemmen een zaad onder de voet om het open te hameren. Vrijwel alle soorten broeden in een holte en leggen daarin grote legsels — acht tot twaalf eieren is gewoon, meer dan bij de meeste zangvogels. Ze verstoppen voedsel in schorsspleten en mos en leven buiten de broedtijd in gemengde troepen die zich luidruchtig door het bos verplaatsen. De koptekening is bij elke soort scherp begrensd en vaste herkenningsgrond.
- Baardmannetjes | Panuridae1 soortEen familie van één soort, en uiterlijk valt er weinig te delen: dat hij apart staat berust op de bouw van de schedel en op erfelijke gegevens, die hem naast de leeuweriken plaatsen en niet bij de mezen of zangers waar hij lang bij werd gezet. Wat hem tekent is de gebondenheid aan uitgestrekt overjarig riet: een klein oranjegeel snaveltje, een zeer lange trapsgewijze staart en poten die twee stengels tegelijk omklemmen. In de zomer eten deze vogels insecten, in de winter rietzaad; in de herfst verdikt de spiermaag en slikken ze gruis om dat harde zaad te kunnen vermalen. Ze broeden laag in het riet, twee tot vier keer per jaar, en man en vrouw zijn al in het nest aan de koptekening te onderscheiden.
- Leeuweriken | Alaudidae20 soortenGrondvogels in bruin en zandkleur met streping, gebouwd om te lopen en niet om te huppen: de achternagel is lang en vrijwel recht, en de achterkant van de loopbeen draagt een rij losse schubben in plaats van de gladde plaat die andere zangvogels daar hebben. Vrijwel alle soorten zingen in de lucht, klimmend of biddend, soms minutenlang achtereen boven een territorium zonder zangpost. Het nest is een kuiltje op kale grond, met gras bekleed; de jongen lopen weg voordat ze kunnen vliegen, wat het aantal verliezen bij een enkele maaibeurt beperkt. De snavel loopt uiteen van kort en zwaar voor zaad tot lang en gebogen om in de bodem te wroeten.
- Graszangers | Cisticolidae2 soortenKleine zangers van gras, moeras en laag struweel, meestal warmbruin en op de bovendelen gestreept, met korte ronde vleugels en een trapsgewijze staart die vaak omhoog wordt gehouden en in het broedkleed korter is dan in de winter. Kenmerkend is het nest: levende grasbladen of blaadjes worden met spinrag en rupsenzijde aaneen gehecht tot een verborgen peertje, dat blijft meegroeien met de plant waarin het hangt. De zang is eenvoudig en eindeloos herhaald, meestal voorgedragen in een golvende baltsvlucht over het territorium, want zangposten zijn er in dit terrein niet. Het zwaartepunt van de familie ligt in Afrika; in Europa reikt maar een enkele soort tot de kust van de Middellandse Zee en noordelijker.
- Rietzangers | Acrocephalidae18 soortenEffen bruine tot olijfgroene zangers zonder vleugelstrepen, met een lange, aan de basis brede en platte snavel met borstelharen, een vloeiend aflopend voorhoofd en lange tenen waarmee ze twee verticale stengels tegelijk vastgrijpen. Ze klimmen en kruipen in dichte oevervegetatie en struweel en laten zich vooral kennen aan de zang: een luid, ritmisch en krassend geratel met veel herhalingen en veel nagebootste soorten, dag en nacht voorgedragen. Het nest is een diepe cilindrische korf, om rechtopstaande stengels heen geweven zodat hij in de wind kan meebewegen zonder om te vallen. Alle Europese soorten trekken over lange afstand naar Afrika en zijn hier maar drie tot vier maanden.
- Sprinkhaanzangers | Locustellidae5 soortenUiterst schuwe, bruine vogels die als een muis door de onderste laag van riet, ruigte en zeggen kruipen en liever wegrennen dan opvliegen. De bouw hoort daarbij: korte, ronde vleugels, een brede trapsgewijze staart en opvallend lange onderstaartdekveren. De zang is mechanisch — een gelijkmatig snorrend of tikkend geratel dat minutenlang wordt volgehouden en dat door het draaien van de kop lijkt te verschuiven, zodat de vogel moeilijk is te plaatsen. Het nest staat op of vlak boven de grond, verscholen onder overhangende stengels, en wordt lopend bereikt; de seksen zien er gelijk uit.
- Zwaluwen | Hirundinidae8 soortenVogels die hun voedsel uitsluitend in de lucht vangen, en daar helemaal op gebouwd zijn: lange spitse vleugels, een zeer korte platte snavel met een enorme mondspleet, en kleine zwakke pootjes met korte loopbenen, waarmee ze wel kunnen zitten maar nauwelijks lopen. Drinken en baden doen ze scherend over het water. Het nest is een kommetje of gesloten pot van modderpakketjes tegen een wand, een zelfgegraven gang in een steile oever, of een holte — vaak in kolonies bij elkaar. Het zijn trekvogels die zich in de nazomer boven riet en draden verzamelen; anders dan de gierzwaluwen, waar ze in de lucht op lijken, zijn het gewone zangvogels die op een draad gaan zitten.
- Staartmezen | Aegithalidae1 soortZeer kleine vogels met een piepklein stomp snaveltje en een staart die langer is dan het hele lichaam, waardoor ze eerder als een balletje met een steel dan als een vogel ogen. Het nest is een gesloten ovaal van mos en korstmos, samengebonden met spinrag en van binnen gevoerd met honderden tot meer dan duizend veertjes; de wand rekt mee terwijl de jongen groeien. Ze leven het hele jaar in familietroepen: vogels waarvan het broedsel is mislukt helpen elders mee voeren, en 's nachts slaapt de troep dicht tegen elkaar op een tak. Contact houden ze met dunne, aanhoudende ratelende roepjes waaraan je de groep al hoort voordat je hem ziet.
- Cettizangers | Cettiidae2 soortenKleine, gedrongen, dofbruine vogels van dicht en vochtig struweel, met ronde vleugels, een ronde staart en meestal niet meer dan een lichte wenkbrauwstreep als tekening; ze blijven laag in de dekking en worden vaker gehoord dan gezien. De zang staat in geen verhouding tot het formaat: een plotselinge, luide uitbarsting van enkele seconden, met lange stiltes ertussen. Mannetjes zijn duidelijk zwaarder en langvleugeliger dan vrouwtjes en hebben vaak meer dan één vrouw in hun territorium, dat zij niet zelf helpen verzorgen. Bij een deel van de familie telt de staart tien pennen in plaats van de gebruikelijke twaalf; de familie zelf is pas in deze eeuw afgebakend, nadat moleculair werk liet zien dat deze vogels niet bij de overige zangers thuishoorden.
- Boszangers | Phylloscopidae17 soortenKleine, slanke zangertjes met een dunne, spitse snavel, groen tot grijsgroen van boven en licht van onder, meestal met een wenkbrauwstreep en soms met vleugelstrepen. Man en vrouw zijn gelijk en de soorten verschillen onderling zo weinig dat de eenvoudige, sterk herhaalde zang in de praktijk de betrouwbaarste kenmerk is. Ze zijn onafgebroken in beweging in de kroon en het struweel: bladeren afzoeken, bidden bij een bladpunt, een insect in de lucht grijpen. Het nest is overdekt, met de ingang opzij, op of vlak boven de grond, ook bij soorten die verder hun hele leven hoog in de bomen doorbrengen.
- Buulbuuls | Pycnonotidae4 soortenMiddelgrote zangvogels met een zachte, losse, bijna donzige bevedering, een korte, dunne en licht gebogen snavel met stugge borstelharen aan de basis, en korte, zwakke poten: buulbuuls lopen nauwelijks en werken zich hippend door struikgewas. In de nek staan lange, haarachtige veren, en veel soorten kunnen de kruinveren tot een spitse kuif opzetten. Het voedsel bestaat voor het grootste deel uit vruchten, aangevuld met bloesem, nectar en insecten, waarmee ze in warme streken tot de belangrijkste zaadverspreiders horen. Ze leven in paren of luidruchtige groepjes langs bosranden, in struweel, boomgaarden en tuinen, zitten graag hoog en open en laten dan een korte fluitende of kwetterende reeks horen. Het nest is een tamelijk dunne kom in de vork van een struik of lage boom, waar beide ouders de jongen voeren.
- Grasmussen | Sylviidae22 soortenSteviger gebouwd dan de boszangers, met een dikkere snavel en een krachtiger kop; het zijn vogels van struweel, doornhagen en macchia, die zich laag en gedekt verplaatsen. Veel soorten hebben een naakte oogring en een opvallend gekleurde iris, en de mannetjes dragen een donkere of contrastrijke kop terwijl de vrouwtjes bruiner blijven — bij zangvogels van deze grootte is dat verschil ongewoon. In de zomer eten ze insecten, maar vanaf de nazomer schakelen ze grotendeels over op vruchten, waarmee ze hun trekvet aanleggen en veel zaden verspreiden. Het nest is een keurig, dunwandig kommetje laag in een struik; mannetjes bouwen vaak meerdere onvoltooide nesten voordat er één in gebruik wordt genomen.
- Diksnavelmezen | Paradoxornithidae2 soortenKleine, bolronde vogels met een zeer lange getrapte staart en een snavel die de familie haar naam geeft: kort, hoog, zijdelings samengedrukt en sterk gebogen, als die van een papegaai in het klein. Daarmee pellen ze harde zaden en splijten ze rietstengels en bamboe open om bij de insecten binnenin te komen. Krachtige poten klemmen zich om verticale stengels, zodat ze door riet, hoog gras, bamboe en struweel omhoog klauteren; de vlucht is kort en fladderend en de meeste soorten blijven hun leven lang in dezelfde hoek. Buiten de broedtijd trekken ze in kwetterende groepjes rond, en man en vrouw zien er gelijk uit. Het nest is een diepe kom, laag tussen de stengels geweven.
- Lachvogels | Leiothrichidae3 soortenMiddelgrote zangvogels van de dichte ondergroei in Aziatische bossen, met stevige poten, korte afgeronde vleugels en een lange getrapte staart: vogels die meer klimmen en huppen dan vliegen. De snavel is krachtig en licht gebogen, en dient evengoed voor insecten als voor vruchten, die op de grond en in het struweel worden gezocht. Ze leven vrijwel het hele jaar in luidruchtige groepjes, poetsen elkaar de kop en helpen bij elkaars broedsels; het geluid is een aanhoudend gekwetter en gekakel dat bij veel soorten in een gezamenlijk koor overgaat, en waaraan de lachvogels hun naam danken. Naast egaal bruine soorten staan er met fel getekende kop en vleugel. Het nest is een stevige kom laag in een struik.
Lijsters, vliegenvangers en spreeuwen | MuscicapidaZangvogels die vanaf een vaste post werken: rechtop zittend kijken ze rond en storten zich op wat beweegt, of ze plukken insecten van bast, tak en bodem. De poten zijn stevig, de snavel is aan de basis breed en staat vol borstelharen, en de zang is luid en muzikaal, met een groot aantal motieven achter elkaar. Het eerste kleed van de jongen is gevlekt of geschubd, ook bij soorten die als volwassen vogel effen zijn. In de nazomer en winter stappen de meeste soorten grotendeels over op bessen en ander zacht fruit - de reden dat lijsters in koude winters massaal naar het westen schuiven.
- Pestvogels | Bombycillidae1 soortGedrongen zangvogels met een opvallend zacht, dicht verenkleed zonder vlekken of strepen, een kuif, een zwart masker en een korte snavel met een wijde bek. De rode, hoornachtige plaatjes aan de toppen van de armpennen, waar de familie haar naam aan dankt, komen bij geen andere vogelgroep voor; de staart eindigt in een felle gele of rode band. Het grootste deel van het jaar leven ze van bessen, die heel worden doorgeslikt en in enkele minuten door een korte darm gaan, zodat een troep enorme hoeveelheden kan verwerken; in de broedtijd vangen ze insecten in de lucht boven water. Een voedselterritorium verdedigen ze niet en een echte zang hebben ze niet, alleen hoge, zilverige trillers waarmee de troep bij elkaar blijft. Het nest is een losse kom van takjes, mos en korstmos op een zijtak, en het broedgebied verschuift van jaar tot jaar met het bessenaanbod.
- Zijdestaart | Hypocoliidae1 soortEen familie van één soort, en dat is geen verlegenheidsoplossing: de zijdestaart heeft geen levende naaste verwant. Het verenkleed is zacht en effen asgrijs, bijna zonder tekening, met een lange staart die in een zwarte band eindigt en handpennen met zwarte punten en witte toppen die pas in de vlucht opvallen; het mannetje draagt daarbij een zwart masker dat als een band om de nek doorloopt. De snavel is kort en licht gehaakt, gemaakt voor vruchten: dadels, de bessen van de wolfsmelkstruik en van de zoutboom vormen vrijwel het hele menu. Buiten de broedtijd zwerven ze in troepjes van tien tot vijftig door de oases, waar ze zwijgend in een boom vallen, hem leegplukken en verder trekken. De vlucht is golvend en de houding op een tak opvallend rechtop.
- Goudhaantjes | Regulidae3 soortenZeer kleine, bolronde vogels met een korte staart en een naaldfijn snaveltje, waarmee ze springstaarten, bladluizen en spinneneitjes tussen naalden en schorsspleten wegpikken, meestal hangend onder een takuiteinde en soms even biddend voor het blad. Kenmerkend is de kruin: een gele tot vuurrode streep die aan weerszijden zwart is omzoomd en die bij balts en dreiging wordt opgezet; de koptekening geeft bij elke soort de doorslag. De stem ligt uitzonderlijk hoog, rond de acht kilohertz, zo hoog dat oudere waarnemers de familie niet meer horen. Het nest is een diep, hangend kommetje van mos, korstmos en spinrag onder een naaldtak, van binnen met honderden veertjes gevoerd, met acht tot elf eieren — een groot legsel voor zo'n klein lichaam. In winternachten kruipen de vogels dicht tegen elkaar om warmte te sparen.
- Rotskruipers | Tichodromidae1 soortEén enkele soort, de rotskruiper, die op verticale rots leeft zoals de boomkruipers op schors. Het kleed is leigrijs, maar de dekveren van de vleugel zijn karmijnrood en de slagpennen zwart met ronde witte vlekken, zodat de vogel bij elke vleugelslag oplicht tegen de kale wand. De vleugels zijn opvallend breed en rond en dragen een trage, onregelmatige, fladderende vlucht die langs een rotswand meer aan een grote vlinder doet denken dan aan een zangvogel. De snavel is lang, dun en sterk gebogen, en haalt spinnen en insecten uit smalle spleten en achter mospollen vandaan. Een stijve steunstaart ontbreekt: de vogel klemt zich met lange tenen en grote gebogen nagels vast en bewaart zijn evenwicht door de vleugels voortdurend half te openen en te sluiten, wat op afstand het beste herkenningsteken is. Het nest ligt diep in een rotsspleet of onder een overhang, buiten bereik van roofdieren, en beide ouders voeren de jongen op de wand. De familie is gebonden aan hoge, spleetrijke rotswanden en aan de puinhellingen aan hun voet; in de winter zakken de vogels van het hooggebergte af naar lager gelegen kliffen, kloven, steengroeven en oude muren.
- Boomklevers | Sittidae5 soortenKleine, gedrongen vogels met een grote kop, een korte hals en een kort, recht afgesneden staartje, en met een lange, rechte, spitse snavel die als een beitel in schorsspleten wordt gezet. De poten zijn kort en zwaar en dragen zeer lange, sterk gebogen nagels; daarmee klimmen ze als enige vogels van Europa net zo gemakkelijk met de kop naar beneden een stam af als omhoog, zonder de staart als steun te gebruiken. Ze foerageren op stammen en takken en, bij enkele soorten, op kale rotswanden, waar ze insecten en spinnen uit spleten peuteren; in de winter gaan ze over op noten en zaden, die ze in een schorsspleet klemmen en met de snavel openhakken, en die ze ook in voorraad wegbergen. Alle soorten broeden in een holte, en kenmerkend voor de familie is dat de opening met natte modder en klei wordt dichtgemetseld tot er precies één vogel doorheen kan; de rotsklevers metselen zelfs het hele nest, een kruikvormig bouwsel tegen een rotswand. De stem is luid, helder en fluitend, met eenvoudige herhaalde tonen en versnellende trillers die ver door bos en kloof dragen. Man en vrouw lijken sterk op elkaar en verschillen hoogstens in de diepte van het bruin op flanken en onderstaart of in de scherptekening van een zwarte pet.
- Boomkruipers | Certhiidae2 soortenKleine, bruin gespikkelde vogels die de stam van een boom als een muis beklimmen, altijd van beneden naar boven en in een losse spiraal om de stam heen; boven in de kruin laten ze los en vliegen naar de voet van de volgende boom om opnieuw te beginnen. De staart is stijf en spits, met sterke schachten, en wordt bij elke stap als derde steunpunt tegen de bast gezet, zodat de vogel schuin achterover tegen de stam hangt en nooit met de kop omlaag klimt. De snavel is dun, lang en gebogen als een pincet en gaat in schorsspleten op zoek naar spinnen, springstaarten, eitjes en poppen; de tenen zijn lang en de nagels sterk gebogen. Het nest is een platform van twijgjes met daarop een kommetje van bast, mos en veertjes, weggewerkt achter een loshangende bastplaat of in een nauwe spleet. Voor de nacht hollen ze met de snavel een ovaal kuiltje uit in zachte, vezelige schors en drukken zich daar met de kop naar de stam in, alleen of bij vorst met velen tegelijk. De stem ligt zeer hoog, rond de zes tot acht kilohertz, zo hoog dat oudere waarnemers de familie geregeld helemaal missen. De Europese soorten lijken zo sterk op elkaar dat roep en zang in het veld vaker de doorslag geven dan het verenkleed.
- Winterkoningen | Troglodytidae1 soortZeer kleine, bolle vogels met korte ronde vleugels en een korte staart die vaak rechtop wordt gedragen, en met een fijne, licht gebogen snavel om insecten uit spleten te peuteren. Ze bewegen zich muisachtig door de onderste laag van bos, houtwallen, muren en oevers, glippen weg in wortelkluiten en houtstapels, en houden zich meer op de grond dan in de struik op. De zang is voor zo'n klein lichaam buitengewoon luid: een lange, harde roffel met een ratel erin, jaarrond te horen. Het nest is een overdekte bol met de ingang opzij, waarvan het mannetje er meerdere bouwt zodat het vrouwtje kan kiezen; op één soort na leeft de hele familie in Amerika.
- Spotlijsters | Mimidae1 soortMiddelgrote, slanke zangvogels met een lange staart, stevige poten en een licht gebogen snavel, waarmee ze veel op de grond in het bladstrooisel werken: blad omkeren, in de bodem hakken en onder struiken scharrelen. Aan het imiteren dankt de familie haar naam; veel soorten nemen de roepen en zangstrofen van hun buren over en vlechten er ook kikkers, insecten en mechanische geluiden doorheen. De zang is lang en herhalend, met frasen die twee- of driemaal achtereen worden gebracht voordat de vogel aan de volgende begint, en het repertoire van een mannetje blijft zijn leven lang groeien. Ze verdedigen hun territorium fel en openlijk en gaan katten, slangen en mensen te lijf die te dicht bij het nest komen. Het nest is een stevige takkenkom laag in een dichte, vaak doornige struik. In de winter stappen veel soorten over op bessen en houden ze ook dan een terrein bezet. De familie is beperkt tot Amerika en de Caraïben; geen enkele soort komt van nature in Europa voor, en de weinige Europese waarnemingen betreffen dwaalgasten over de Atlantische Oceaan.
- Spreeuwen | Sturnidae6 soortenStevige vogels met een rechte, spitse snavel en krachtige poten; ze lopen doelgericht over de grond in plaats van te huppen. Voedsel zoeken ze door de gesloten snavel in de zode te steken en hem daar met kracht open te duwen — de kaakspieren zijn daarop gebouwd en de ogen staan zo ver naar voren dat de vogel langs de geopende snavel omlaag kan kijken. Het verenkleed is bij veel soorten metaalglanzend, een glans die uit de bouw van de veer komt en niet uit kleurstof, vaak met lichte stippen. Ze zijn uitgesproken groepsdieren: troepen op zoek naar voedsel, gezamenlijke slaapplaatsen, en broedholtes vlak bij elkaar; veel soorten zijn goede imitators.
- Waterspreeuwen | Cinclidae1 soortGedrongen vogels met een korte, opgewipte staart, krachtige poten met lange tenen en stevige nagels, en een buitengewoon dichte, vetrijke bevedering met veel meer veren dan een zangvogel van dezelfde maat gewoonlijk draagt; de verenkleedklier op de stuit is naar verhouding enorm en levert de olie waarmee de veren waterdicht blijven. Ze duiken vanaf een steen of vanuit de vlucht het water in, roeien onder water met de korte ronde vleugels en lopen over de bodem tegen de stroom in, met de kop omlaag, zodat het water hen tegen het grind drukt. Onder water sluit een klepje de neusgaten af, schuift een doorzichtig knipvlies over het oog en houdt het zware, weinig luchthoudende skelet hen laag bij de bodem. Ze foerageren op kokerjuffers, haft- en steenvlieglarven en kleine kreeftachtigen die onder de keien zitten. Het nest is een bol van mos met een zij-ingang, gebouwd achter een waterval, in een oevermuur of onder een brug, vaak alleen bereikbaar door het opspattende water heen. De zang is luid en aanhoudend en ligt precies op een toonhoogte die over het geraas van het water heen komt; beide geslachten zingen, het hele jaar door. Wereldwijd telt de familie maar vijf soorten, alle gebonden aan snelstromend water.
- Lijsters | Turdidae12 soortenMiddelgrote vogels met een rechtop gedragen lijf, lange stevige poten en een matig lange, slanke snavel. Op de grond werken ze in korte etappes — een paar sprongen, stilstaan, luisteren en kijken, dan toeslaan — en in de nazomer en winter verschuiven ze grotendeels naar bessen en vallend fruit, wat verklaart waarom hele populaties bij vorst plotseling naar het zuidwesten opschuiven. De zang is luid en fluitend, met herhaalde motieven, en wordt vanaf een hoge, open post gebracht, vooral in de vroege ochtend en de schemering. Het nest is een stevige kom, bij veel soorten van binnen met modder bepleisterd; jonge vogels zijn gevlekt, ook als de ouders effen zijn.
- Vliegenvangers | Muscicapidae42 soortenWat deze vogels uiterlijk delen is beperkt: dat ze bij elkaar staan berust vooral op de bouw van de schedel en op erfelijke gegevens, waardoor de vliegenvangers en de vroeger bij de lijsters geplaatste tapuiten, roodstaarten en nachtegalen nu in één familie horen. De gemene deler is een klein lichaam met een dunne, spitse snavel met borstelharen aan de basis, en insectenvangst vanaf een uitkijkpost: de een schiet omhoog achter een vliegend insect aan, de ander valt vanaf een lage post op de grond. Opvallend veel soorten dragen kleur in de staart — roestrood, wit aan de zijkanten of een zwart-witte tekening — en tonen die met een schok bij het neerstrijken. Ze broeden in holtes en spleten of in een goed verstopte kom, en vrijwel alle Europese soorten trekken naar Afrika.
Vinken, mussen en gorzen | PasseridaZaad is hier het hoofdvoedsel van de volwassen vogels: de snavel is kegelvormig of juist fijn en pincetachtig, het voedsel wordt lopend of huppend op de grond gezocht en de vogels moeten dagelijks drinken. De jongen krijgen niettemin bijna overal insecten, ook bij soorten die zelf uitsluitend zaad eten. Man en vrouw verschillen vaker en sterker in kleed dan in de andere groepen, en de zang is kort en herhalend, gebracht vanaf een open zitplaats of in een zangvlucht boven open terrein. Buiten de broedtijd verzamelen veel soorten zich in groepen waar zaad ligt: stoppelvelden, ruigten en voerplaatsen bij huis.
- Honingzuigers | Nectariniidae1 soortKleine, spitse vogels met een dunne, gebogen snavel en een tong die aan de punt tot een buisje is opgerold en in franjes eindigt: daarmee wordt nectar uit de bloem gezogen zoals door een rietje. Anders dan de kolibries, waarop ze uiterlijk lijken maar waaraan ze niet verwant zijn, blijven ze bij het drinken bijna altijd zitten; ze klemmen zich aan de bloemsteel vast en bidden hooguit een tel. Het glanzende blauw, groen en purper van de mannetjes is geen pigment maar structuurkleur: laagjes in de veer die het licht breken, zodat de vogel bij het draaien van zwart naar metaal omslaat. Aan weerszijden van de borst zitten vaak felgekleurde pluimpjes die alleen bij balts of dreiging worden uitgeklapt. Het nest is een hangend zakje van plantenvezel en spinrag met een zijingang en een afdakje, door het vrouwtje alleen gebouwd.
- Wevers | Ploceidae2 soortenKleine tot middelgrote zaadeters met een korte, zware kegelsnavel en stevige poten, die hun nest niet stapelen maar knopen. Het mannetje begint met een ring: hij scheurt een smalle reep uit een riet- of palmblad, slaat die om een stengel of een dunne tak en trekt het uiteinde met de snavel door de lus. Vanaf die ring werkt hij naar voren en naar achteren verder tot er een gesloten bol staat, met de opening onderin of bovenin en bij sommige soorten een korte tuit eronder; snavel en poot dienen daarbij als weefgetouw en het werk kost twee tot drie dagen. Het vrouwtje bouwt niet mee maar keurt en bekleedt de binnenkant met pluis en zaadpluimen; keurt zij af, dan wordt het nest afgebroken en opnieuw begonnen. Een mannetje bouwt zo nest na nest voor achtereenvolgende vrouwtjes, en in een goede rietkraag of boom hangen tientallen tot honderden nesten bij elkaar.
- Wida's | Viduidae1 soortKleine zaadeters met een dikke, vaak koraalrode kegelsnavel, die zelf geen nest bouwen en geen jongen grootbrengen. Het vrouwtje legt haar witte eieren bij prachtvinken in het nest; het waardpaar broedt ze uit en voert het vreemde jong samen met de eigen jongen op, want er wordt niets uit het nest gewerkt. Dat kan doordat het jong tot in de details bij zijn waardvogel past: dezelfde stippen, vlekken en gekleurde knobbels achter in de opengesperde bek, dezelfde bedelhouding en hetzelfde bedelgeluid als de nestgenoten naast hem. Elke soort is daarbij aan een eigen kring van gastheren gebonden, en de mannetjes nemen de zang van hun waardvogel in het eigen repertoire op, zodat vrouwtjes bij de juiste soort terechtkomen. De mannetjes dragen in de broedtijd zwart, wit en soms verlengde staartpennen, waarmee zij boven het vrouwtje hangend baltsen; buiten de broedtijd zijn alle soorten musachtig gestreept en vrijwel alleen aan de snavelkleur te scheiden.
- Prachtvinken | Estrildidae6 soortenKleine tot zeer kleine zaadeters met een korte, dikke kegelsnavel — bij veel soorten fel koraalrood, bij andere zilvergrijs of blauwzwart — en een gedrongen lijf met korte, ronde vleugels en een snelle, licht golvende vlucht. Ze leven het hele jaar in troepen en halen hun voedsel van de zaadpluim zelf: klauterend, hangend, of de halm met het eigen gewicht omlaag buigend, en verder van de grond eronder. Het nest is een gesloten bal van dooreengevlochten grashalmen met een zijingang, vaak verlengd tot een korte toegangspijp, laag in een graspol, een doornstruik of dicht riet; beide ouders bouwen en broeden om beurten. De jongen dragen achter in de opengesperde bek een vast patroon van zwarte stippen en strepen, met aan de mondhoeken gekleurde knobbels die in het donker van de nestbal oplichten en de ouders wijzen waar het voer heen moet. Dat voer is zaad dat de ouders opgeweekt in de krop aanvoeren en jong voor jong uitgeven.
- Heggenmussen | Prunellidae4 soortenKleine, gedrongen vogels met een musachtig lijf en een dof bruingrijs, van boven gestreept kleed, maar met een dunne, rechte en spitse snavel waarmee ze insecten, spinnen en springstaarten uit strooisel, mos en rotsspleten pikken; in de winter schakelen ze op fijne zaden over. Ze foerageren lopend en schuifelend over de grond, met kleine passen en een licht gebogen rug, zelden ver van dekking, en om de paar seconden een korte flits door vleugel en staart. De koptekening scheidt de soorten: een grijze kap, een zwart gespikkelde keel, een brede lichte wenkbrauwstreep. Kenmerkend is het paarsysteem: veel soorten leven niet in paren maar in groepjes van twee of meer mannetjes met een of meer vrouwtjes die één terrein delen, elkaar aanhoudend achtervolgen en met opgeheven, trillende vleugel baltsen; de zorg voor de jongen wordt daarna over meerdere vogels verdeeld. De eieren zijn effen blauw. Één geslacht, uitsluitend in Eurazië en Noord-Afrika, met het zwaartepunt in de Aziatische gebergten.
- Mussen | Passeridae10 soortenGedrongen, kortpotige zaadeters met een zware kegelsnavel waarvan de snijranden een graankorrel openknijpen. In de tong zit een klein extra bot, het preglossale, dat als aambeeld dient: de korrel wordt tegen het gehemelte gedraaid, de schil eraf geschild en de kern doorgeslikt, en het hele karwei duurt een seconde. Volwassen vogels leven van zaad; de jongen worden met rupsen en bladluizen grootgebracht. Het nest is een slordige, overdekte bal van halmen, stro en veren, weggepropt in een holte — boomgat, muurspleet, dakpan of het verlaten nest van een andere soort — en staat meestal in losse kolonies, met twee tot vier legsels per jaar. Baden gebeurt in droog stof: de vogel schopt een kuiltje uit en werkt het zand door zijn verenkleed. Verscheidene soorten leven het hele jaar bij mensen, in dorpen, op erven, in steden en bij graanopslag, waar gemorst voer en de bebouwing zelf voedsel en nestholtes leveren.
- Kwikstaarten en piepers | Motacillidae18 soortenSlanke, langpotige zangvogels die lopen in plaats van huppen: de voet zet af, de kop knikt mee, en de lange staart wipt daarbij onophoudelijk op en neer — bij de kwikstaarten zo hard dat het hele lichaam meeveert. De snavel is dun, recht en spits, gemaakt om insecten van de grond, van natte stenen of uit de lucht te plukken; de poot is hoog en dun, en bij de piepers is de nagel van de achterteen sterk verlengd, bijna zo lang als de teen zelf, wat houvast geeft in gras en zegge. Twee gedaanten binnen één bouw: de kwikstaarten scherp getekend in zwart, wit, grijs en geel, de piepers bruin en gestreept en onderling vooral aan roep en vleugelformule te scheiden. Het nest is een kommetje op de grond, verstopt onder een pol of in een nis, en de zang gaat de lucht in: opstijgen, zingen, en in een dalende parachutevlucht weer neerkomen.
- Vinkachtigen | Fringillidae33 soortenDe kegelvormige snavel is het kenmerk: het zaad wordt niet doorgeslikt maar gepeld, geklemd in een groef in het gehemelte terwijl de ondersnavel het vlies eraf schuift. Hoe zwaarder de snavel, hoe harder de pit die eraan moet geloven, zodat de vorm van soort tot soort verraadt waarop de vogel is aangewezen. Buiten de broedtijd zwerven ze in troepen door zaadrijke akkers, bossen en oevers, met een golvende vlucht en aanhoudende contactroepjes waaraan ze op afstand te herkennen zijn. Anders dan de meeste zangvogels voeren veel soorten hun jongen niet met insecten maar met opgebraakt zaad, dat ze in een uitstulping van de slokdarm meedragen.
- IJsgorzen en sneeuwgorzen | Calcariidae2 soortenDe naam van de familie zit in de achterteen: de nagel is lang en vrijwel recht, langer dan de teen zelf, en hoort bij vogels die lopend op vlakke, boomloze grond leven. Het zijn gedrongen zaadeters met een korte kegelsnavel, lange spitse vleugels en een snelle, lage vlucht, die lopen in plaats van huppelen. De familie is klein en helemaal van het hoge noorden: open toendra en keienveld in de zomer, kust, kwelder en stoppelveld in de winter. Zomer- en winterkleed lopen verder uiteen dan bij vrijwel elke andere zangvogelfamilie: het scherp getekende mannetje van juni is in oktober een bruin gestreepte vogel. Een zangpost boven de vlakte ontbreekt, dus komt de zang uit een korte zangvlucht — klimmen en dan met stijve vleugels omlaag zweven. Het nest staat op de grond tussen stenen of in een pol. De groep wordt sinds omstreeks 2010 in een eigen familie geplaatst, los van de gorzen van de Oude Wereld.
- Gorzen | Emberizidae17 soortenOok zaadeters met een kegelsnavel, maar anders gebouwd dan bij de vinken: de bovensnavel is smaller dan de onder, met golvende sneden, en in het gehemelte zit een harde knobbel waartegen het zaad wordt gerold en gepeld; de mondhoek maakt bovendien een duidelijke knik. Het zijn vogels van open land — akkers, heide, ruigte, berghellingen — die op of vlak boven de grond foerageren en hun jongen wel met insecten grootbrengen. Vrouwtjes en jonge vogels zijn bruin en gestreept, mannetjes dragen een scherp getekende kop; in de vlucht valt de vrij lange staart met witte buitenste pennen op. De zang is kort, droog en eentonig herhaald vanaf een lage uitkijkpost, en het nest staat op de grond of laag in de vegetatie.
- Amerikaanse gorzen | Passerellidae4 soortenDe gorzen van de Nieuwe Wereld: zaadeters met een korte kegelsnavel, stevige poten en een vrij lange, afgeronde staart, meestal bruin en gestreept van boven. Ze foerageren op de grond in strooisel en onder struiken, met een manier van krabben die de hele familie kenmerkt: beide poten tegelijk naar achteren schuiven in een kort sprongetje, zodat het strooisel in één beweging wegvliegt en de kale grond met zaad bloot komt te liggen. De koptekening is het kenmerk waar de determinatie op draait: kruinbanden, wenkbrauwstreep, oogstreep en baardstreep in vaste patronen, terwijl de kleur van rug en flanken weinig zegt. Het nest is een kommetje op de grond of laag in een struik, vaak onder een graspol verscholen. Hoe sterk ze ook op de gorzen van Europa lijken, ze worden sinds omstreeks 2017 in een eigen familie geplaatst, los van de Emberizidae.
- Troepialen | Icteridae1 soortEen uitsluitend Amerikaanse familie, die met de gewone zangvogelsnavel iets anders doet dan de rest. De snavel is recht, scherp en zonder haak, en wordt niet gebruikt om iets dicht te knijpen maar om het open te wrikken: de vogel steekt de gesloten punt in een bladschede, een opgerold blad of een spleet in de bast en duwt de kaken vervolgens uit elkaar, zodat het voedsel blootkomt. Schedel en kaakspieren zijn daarop gebouwd, en een groot deel van de familie eet op die manier. Bij veel groepen zijn de mannetjes fel getekend in geel, oranje of rood tegen zwart, terwijl de vrouwtjes doffer en groeniger blijven. Verschillende geslachten weven een diep hangend nest van plantenvezel aan het uiteinde van een tak, buiten bereik van klimmende rovers; andere bouwen een kom in riet of struik, of leggen hun eieren in het nest van andere vogels. De familie komt alleen in Noord-, Midden- en Zuid-Amerika voor; in Europa gaat het uitsluitend om dwaalgasten.
- Amerikaanse zangers | Parulidae3 soortenKleine, kortsnavelige insecteneters van het bladerdek, negen tot vijftien centimeter lang en zelden zwaarder dan vijftien gram. Ze werken een boomkruin systematisch af, pikken rupsen en bladluizen van de onderkant van bladeren, hangen aan een twijgeinde of vangen een insect in een kort vluchtje. Het verenkleed wisselt sterk met het seizoen: in het voorjaar dragen de mannetjes scherp begrensde vlakken geel, zwart, blauw, oranje of kastanje, en na de rui in het najaar staan mannetje, vrouwtje en jonge vogel er alle drie groenig en vaag getekend bij, zodat een najaarsvogel op een handvol details moet worden gedetermineerd: onderstaartdekveren, pootkleur, vleugelstrepen, de stuit. Bijna alle soorten trekken, sommige duizenden kilometers en enkele in één ruk over de Golf van Mexico of de Atlantische Oceaan, met een lichaam van tien gram. Ondanks de naam hebben ze niets met de zangers van Europa te maken: ze worden in een eigen, uitsluitend Amerikaanse familie geplaatst.
- Kardinaalachtigen | Cardinalidae1 soortEen uitsluitend Amerikaanse familie van middelgrote zaadeters, herkenbaar aan de snavel: zwaar, kort en zuiver kegelvormig, met een gebogen bovenrand en een brede basis, gebouwd om harde zaden en pitten te kraken en in de zomer ook rupsen en kevers te verwerken. Het tweede kenmerk is het verschil tussen de seksen. Het mannetje in broedkleed draagt één verzadigde kleur over vrijwel het hele lichaam — rood, diep blauw, of blauw met kastanje en geel — terwijl het vrouwtje warm bruin tot olijfgroen is, met hoogstens een zweem van die kleur op stuit en staartranden. Buiten de broedtijd ruit het mannetje naar datzelfde onopvallende bruin, zodat najaars- en wintervogels nauwelijks op geslacht en leeftijd te scheiden zijn en op snavelvorm en staartlengte moeten worden bekeken. Ze leven in struweel, bosranden en verruigde randen, zingen vanaf een hoge post en bouwen een open nest laag in een struik.