Alle soorten › Steltloperachtigen
Steltloperachtigen | Charadriiformes
Waders, gulls and terns | Limícolas, gaviotas y charranes
Uiterlijk lijken de leden van deze orde weinig gemeen te hebben; ze worden bijeengehouden door skeletkenmerken, zoals de bouw van het verhemelte, en door moleculair onderzoek. Vrijwel alle soorten leven aan water of op open terrein en hebben boven de ogen grote zoutklieren, waarmee ze overtollig zout kwijtraken en zout water kunnen drinken; het verenkleed is dicht en waterafstotend en de vleugels zijn lang en spits, zodat veel soorten tot de verste trekkers ter wereld behoren. Het legsel telt hoogstens vier eieren, meestal in niets meer dan een kuiltje op de grond, en de jongen komen uit met open ogen en een donzen kleed. De meeste soorten ruien twee keer per jaar en dragen in de zomer een duidelijk ander kleed dan in de winter.
Families in deze orde
Plevieren en verwanten | CharadriiGrote ogen zijn het kenmerk: deze vogels zoeken hun voedsel op het zicht en pikken het van de oppervlakte, en lopen daarom in stoten - rennen, stilstaan, pikken, weer rennen. De snavels lopen binnen de groep sterk uiteen, van kort en stomp tot lang en beitelvormig, maar de poot is overal gelijk: drie tenen naar voren en een achterteen die klein is of ontbreekt. De jongen worden alleen bewaakt en warm gehouden; hun voedsel zoeken ze vanaf de eerste dag zelf bij elkaar. Wie te dicht bij het nest komt, wordt weggeleid door een ouder die luid roepend voor hem uit strompelt alsof zijn vleugel gebroken is.
- Grielen | Burhinidae2 soortenGrote gele ogen en een korte, stevige snavel met een verdikte punt: het zijn vogels van de schemering en de nacht, die overdag roerloos op de grond blijven en door hun zandbruine, gestreepte kleed nauwelijks van de bodem zijn te onderscheiden. De poten zijn lang, met een opvallend verdikt gewricht halverwege waaraan de groep zijn naam dankt, en dragen drie korte, dikke tenen zonder achterteen. Ze leven op droog, stenig of zanderig open terrein, vaak ver van water, en pakken lopend kevers, wormen, hagedissen en muizen. Het nest is een kuiltje met twee eieren; bij het invallen van de avond klinkt een ver dragende, klagende roep.
- Kluten | Recurvirostridae2 soortenBuitengewoon lange poten en een dunne, buigzame snavel, recht of naar boven gebogen: waadvogels die tot aan de buik in ondiep, vaak zilt water lopen. Tussen de voortenen zit zwemvlies, zodat ze ook zwemmend kunnen foerageren; de ene bouw pikt prooien een voor een van het oppervlak, de andere maait met de half geopende snavel zijwaarts door het water en voelt wat er tussen de snavelhelften komt. Het verenkleed is bij alle soorten een scherp patroon van zwart en wit, dat tussen zomer en winter nauwelijks verandert. Ze broeden in losse kolonies op kale grond vlak bij het water, leggen drie tot vier eieren in een kuiltje en verjagen indringers luid roepend en in duikvluchten.
- Scholeksters | Haematopodidae1 soortEen lange, zware, zijdelings afgeplatte snavel in oranjerood is het gereedschap van deze familie: hij wordt als een beitel tussen de kleppen van een schelpdier gedreven of als een hamer op de schelp gebruikt, en slijt in dat werk zo snel dat hij voortdurend aangroeit. Daarbij horen korte, stevige poten met drie tenen, een rode oogring en een verenkleed dat zwart-wit of geheel zwart is en bij beide geslachten gelijk. Anders dan bij vrijwel alle andere steltlopers zoeken de jongen hun eten niet zelf: het openen van schelpen vraagt zo veel oefening dat de ouders ze maandenlang blijven voeren. Het legsel bestaat uit twee of drie eieren in een kuiltje, en de vogels laten zich horen in luidruchtige, doordringende fluitconcerten, waarbij groepjes met ingetrokken hals en de snavel omlaag rondlopen.
- Plevieren | Charadriidae17 soortenGedrongen vogels met een grote kop, korte hals en een korte snavel die naar de punt toe verdikt is — bedoeld om prooi van het oppervlak te pikken, niet om in de bodem te steken. Zwarte banden over borst en kop breken het silhouet op kale grond, en veel soorten trillen met één voet op de natte bodem om wormen naar boven te laten komen. Het legsel bestaat vrijwel altijd uit vier peervormige eieren, met de punten naar binnen in een kuiltje, en bij gevaar lokken de ouders een indringer weg met een gespeelde vleugelbreuk. De vleugelvorm loopt binnen de familie uiteen: lang en spits bij de soorten die over grote afstanden trekken, breed en rond bij de zwaardere soorten, die daardoor traag en wiekend vliegen.
Strandlopers en snippen | ScolopaciEen lange snavel met drukzintuigen in de top: deze vogels sporen hun prooi op de tast op, diep in modder of vochtige grond, zonder hem ooit te zien, en foerageren daardoor in het donker even goed als overdag. Het kleed is bruin en fijn gestreept of gevlekt, en de ogen zitten hoog en ver naar achteren in de kop, zodat de vogel al tastend ook boven en achter zich blijft kijken. De broedzorg is binnen de groep opvallend verschillend verdeeld: bij een deel van de soorten broedt alleen het mannetje en legt het vrouwtje kort na elkaar voor meerdere partners. Zang in de gewone zin ontbreekt meestal; boven het broedgebied maken ze geluid met hun staart- of vleugelpennen, in een baltsvlucht die hele nachten kan duren.
- Goudsnippen | Rostratulidae1 soortSnipachtige moerasvogels met een lange, aan de punt licht naar beneden gebogen snavel en brede, ronde vleugels die het vliegbeeld traag en uilachtig maken. Om het oog loopt een brede lichte bril die tot achter de oorstreek doorloopt, en over de schouder een lichte bretel die de vogel in het riet in stukken breekt. Ook hier zijn de rollen omgedraaid: het vrouwtje is groter en dieper gekleurd, met een warm kastanjebruine hals, en het is haar lage, herhaalde hoempen dat 's avonds boven het moeras uit komt. Zij paart met meerdere mannetjes; elk mannetje broedt zijn eigen legsel uit en leidt de jongen. Ze zoeken hun voedsel schemerig en tastend in de modder, met de snavel half open, en vertrouwen bij gevaar eerst op stilstaan.
- Strandlopers en snippen | Scolopacidae49 soortenDe snavel is niet alleen lang en gevoelig, maar ook beweeglijk: van de bovensnavel kan alleen de punt worden opgelicht, zodat de vogel een worm diep in de modder kan grijpen zonder zijn snavel over de hele lengte te openen. Lengte en kromming verschillen sterk per soort, waardoor vogels die naast elkaar op hetzelfde wad foerageren elk een andere diepte en een ander prooidier bereiken. Het verenkleed is grijsbruin en fijn getekend en verandert twee keer per jaar ingrijpend: een opvallend broedkleed en een onopvallend winterkleed. Vier peervormige eieren in een kuiltje, jongen die vanaf de eerste dag hun eigen kost zoeken, en buiten de broedtijd grote zwermen die gelijktijdig draaien boven de getijdenplaten.
Meeuwen, sterns en alken | LariDeze steltlopers zijn niet aan de oever gebonden: ze nemen hun voedsel van of onder het wateroppervlak, rusten zwemmend op open zee en houden zich op lange vleugels urenlang zwevend in de lucht - een deel roeit onder water met diezelfde vleugels. Ze broeden in kolonies op kliffen, eilandjes en stranden, met een klein legsel dat vaak niet meer dan één of twee eieren telt. De jongen blijven bij het nest en worden door beide ouders gevoerd, bij sommige soorten tot ver nadat ze kunnen vliegen; het duurt daarna nog jaren voor ze zelf broeden, en ondertussen dragen ze wisselende onvolwassen kleden. Niet alles in de groep past in dat beeld: erfelijk onderzoek plaatst er ook enkele kleine, verborgen levende grondvogels bij.
- Vechtkwartels | Turnicidae1 soortKleine, gedrongen loopvogels die op kwartels lijken maar het niet zijn: ze horen bij de steltloperorde, en de gelijkenis is een kwestie van hetzelfde werk in hetzelfde gras. Aan de voet ontbreekt de achterteen, zodat er maar drie tenen naar voren staan — vandaar de wetenschappelijke naam. De rollen zijn omgekeerd. Het vrouwtje is groter en feller getekend, bezet een territorium en lokt met een diepe, ver dragende brom die ze met opgeblazen krop voortbrengt; ze legt haar eieren en trekt verder naar een volgende partner. Het mannetje broedt alleen, in een kuiltje onder een graspol, en leidt de jongen. Die zijn nestvlieders en kunnen na twee weken al fladderen — sneller dan bij vrijwel elke andere vogel. Ze vliegen zelden en kort, laag over het gras, en laten zich liever wegdrukken dan opvliegen.
- Vorkstaartplevieren | Glareolidae4 soortenEen korte, op de rug gebogen snavel met een wijde bek verbindt twee heel verschillende manieren van leven binnen één familie: soorten die op lange, spitse vleugels en met een gevorkte staart insecten uit de lucht happen, en soorten die op lange poten over kale grond rennen en hun prooi al lopend oppikken. Alle horen thuis in droog, open terrein — steppe, opgedroogde modder, zandige rivieroevers — en de achterteen is klein of ontbreekt. Twee tot vier goed gecamoufleerde eieren worden zonder nestmateriaal op de kale bodem gelegd, bij de vliegend jagende soorten vaak in kolonies. De jongen lopen al snel mee, maar worden nog weken door de ouders gevoerd.
- Jagers | Stercorariidae4 soortenMeeuwachtig van vorm, maar met een zwaardere borst, een sterk gehaakte snavel die uit afzonderlijke hoornplaten bestaat met een washuid over de basis, en scherpe, gekromde nagels aan de zwempoten; vrouwtjes zijn groter dan mannetjes. Het verenkleed is bruin of grijsbruin, bij verschillende soorten met een lichte en een donkere kleurvorm naast elkaar, en aan de basis van de handpennen zit een witte vlek die in de vlucht oplicht. Ze leven grotendeels van wat andere zeevogels vangen: in lange achtervolgingsvluchten dwingen ze meeuwen en sterns hun prooi los te laten, en daarnaast eten ze eieren, jongen en aas. Ze broeden op open toendra en heide, leggen twee eieren in een kuiltje en verdedigen dat met stootduiken; de rest van het jaar brengen ze op zee door.
- Alken | Alcidae6 soortenCompacte, kortnekkige zeevogels, donker van boven en wit van onder, met kleine, smalle vleugels waarmee ze zowel vliegen als onder water roeien. Die dubbele taak is een compromis: de vleugelbelasting is hoog, opstijgen kost moeite en de vlucht is snel en snorrend met onafgebroken vleugelslag, terwijl de ver naar achteren geplaatste poten hen op het land rechtop maar onhandig maken. Ze broeden in kolonies op rotsrichels, in holen en in spleten, en leggen daar één ei zonder nestmateriaal — bij de soorten op kale richels sterk peervormig. Na het broedseizoen ruien de meeste soorten alle slagpennen tegelijk en kunnen ze enkele weken niet vliegen.
- Meeuwen en sterns | Laridae42 soortenDrie volledig door zwemvlies verbonden voortenen en een kleine, hoog geplaatste achterteen: deze vogels kunnen op het water rusten, en dankzij zoutklieren boven de ogen ook zeewater drinken. Binnen de familie staan twee bouwvormen naast elkaar: zwaardere vogels met een stevige, aan de punt licht gehaakte snavel, die vrijwel alles eten wat ze te pakken krijgen, en slankere vogels met een dunne, spitse snavel die ze biddend omlaag gericht houden om zich daarna in het water te laten vallen. Ze broeden vrijwel altijd in kolonies op de grond, met één tot drie gevlekte eieren; de donzige jongen blijven bij het nest en worden door beide ouders gevoerd, anders dan de zelf foeragerende jongen van de steltlopers. De meeste soorten ruien twee keer per jaar en hebben in de winter een andere koptekening; bij de grootste soorten duurt het twee tot vier jaar voordat het volwassen kleed compleet is.