Alle soorten › Stormvogelachtigen
Stormvogelachtigen | Procellariiformes
Tubenoses | Petreles y pardelas
Buisneuzen: de neusgaten liggen in hoornbuizen op of naast de snavel, en de snavel zelf is uit een aantal aparte hoornplaten opgebouwd met een haak aan de punt. Ze hebben een voor vogels ongewoon goed reukvermogen en vinden voedsel over grote afstand op de geur; boven elk oog zit een zoutklier die het overtollige zeezout via de snavel afvoert. In de voormaag maken ze een olieachtig concentraat, dat dient als voedsel voor het jong en als afweer tegen indringers. Ze komen alleen aan land om te broeden, leggen één ei dat bij verlies niet wordt vervangen, en broeden pas na een reeks jaren voor het eerst.
Families in deze orde
- Zuidelijke stormvogeltjes | Oceanitidae2 soortenDe kleinste zeevogels van de gids, met opvallend lange, dunne poten die in de vlucht voorbij de staart uitsteken, en betrekkelijk korte, ronde vleugels. Ze foerageren vlak op het wateroppervlak: de vleugels omhoog, de voeten trappelend of huppend op het water, terwijl ze plankton en olieachtige resten uit de bovenste laag pikken. Ze broeden in kolonies in holen en rotsspleten op eilanden en komen daar alleen in het donker, zodat er overdag niets van te zien is.
- Noordelijke stormvogeltjes | Hydrobatidae4 soortenEven klein, maar met langere, smallere en scherper gepunte vleugels en korte poten die in de vlucht niet voorbij de staart komen; de vlucht is daardoor onregelmatig en vleermuisachtig, met slagen en glijstukken door elkaar. Ze pikken hun voedsel al hoverend of in het voorbijgaan van het oppervlak, in plaats van er langdurig op te trappelen. 's Nachts laten ze vanuit de nestholte en boven de kolonie snorrende en ratelende reeksen horen; de vogels zelf ruiken sterk muskusachtig, een geur die aan het nest blijft hangen.
- Pijlstormvogels | Procellariidae12 soortenMiddelgrote tot grote zeevogels met een stevige haaksnavel en lange, smalle vleugels die in de glijvlucht stijf en recht worden gehouden: ze scheren laag over de golven en gebruiken het windverschil vlak boven het water om zonder vleugelslag vooruit te komen. Het voedsel wordt van het oppervlak gegrepen of onder water achterna gezwommen, waarbij verschillende soorten met halfgevouwen vleugels tot tientallen meters diep duiken. De poten staan ver naar achteren, zodat ze op het land schuifelen en zich met de borst afzetten; genesteld wordt in zelfgegraven holen of rotsspleten op eilanden. Het jong wordt volgestopt met olierijk voedsel tot het zwaarder is dan de ouders en daarna aan zichzelf overgelaten.