Alle soorten › Genten en aalscholvers
Genten en aalscholvers | Suliformes
Gannets and cormorants | Alcatraces y cormoranes
Zeevogels die hun voedsel duikend onder water bemachtigen. Alle vier de tenen zijn door zwemvliezen verbonden — ook de achterteen, die naar voren is gedraaid om mee te doen — en de uitwendige neusgaten zijn dichtgegroeid, zodat de vogel door de bek ademt en bij het te water gaan geen water binnenkrijgt. De keelhuid is onbevederd en rekbaar, zodat een grote vis in één keer naar binnen kan, en klieren boven de ogen scheiden het zeezout uit dat daarbij mee naar binnen gaat. Ze broeden in dichte kolonies en hebben geen broedvlek: de eieren worden warm gehouden onder de sterk doorbloede zwemvliezen, en de jongen komen naakt en hulpeloos uit het ei en blijven lang op het nest.
Families in deze orde
- Genten | Sulidae2 soortenGrote zeevogels met een sigaarvormig lijf, lange spitse vleugels en een wigvormige staart; de zware kegelvormige snavel heeft geen haak, maar wel fijn gezaagde snijranden die een gladde vis vasthouden. De ogen staan ver naar voren en geven het dieptezicht dat de stootduik vraagt: van tien tot dertig meter hoogte valt de vogel met de vleugels naar achteren het water in, waarbij luchtzakken onder de huid van kop, hals en borst de klap opvangen. Eén ei per jaar, op een opgehoogde nestkom van wier en uitwerpselen op een klifrichel of rotseiland, in kolonies die tot tienduizenden paren kunnen tellen. Het jong komt zwart en naakt uit het ei en heeft vier tot vijf jaar nodig voor het volwassen wit met zwarte handpennen.
- Aalscholvers | Phalacrocoracidae3 soortenLanggerekte, donkere watervogels met een lange hals en een snavel die aan de punt scherp gehaakt is: de vis wordt vastgegrepen, niet gespietst. Ze duiken vanaf het wateroppervlak en zwemmen onder water met beide voeten tegelijk; de poten staan ver naar achteren, waardoor lopen moeizaam gaat, en de stugge wigvormige staart doet dienst als roer. Het verenkleed laat zich deels doordrenken, wat het drijfvermogen vermindert maar de vogel dwingt na het vissen met halfgespreide vleugels te drogen — de houding waaraan de hele familie te herkennen is. Het nest van takken of wier staat in kolonieverband op rotsen, in bomen of in riet; drie tot vier bleekblauwe eieren onder een krijtachtige laag, en naakte jongen die na enkele dagen zwart dons krijgen.