Alle soortenRoofvogels › Havikachtigen

Havikachtigen | Accipitridae

Hawks, eagles and kites | Águilas, milanos y afines

Alle leden delen dezelfde uitrusting: een haaksnavel zonder de tand die valken in de snijrand hebben, een krachtige voet met vier tenen en scherpe klauwen om prooi of aas vast te houden, en brede vleugels met gespreide handpenpunten waarmee ze op thermiek hoogte winnen, met de staart als roer. Ze bouwen een nest van takken of nemen dat van een ander over en leggen kleine legsels van één tot enkele eieren, die vooral door het vrouwtje worden bebroed terwijl het mannetje het voedsel aanvoert. De eieren komen na elkaar uit, zodat de jongen in grootte verschillen; ze worden met afgescheurde stukjes gevoerd en vliegen pas na weken uit. Daarna dragen ze nog één of meer jaren een eigen jeugdkleed, wat het op naam brengen binnen deze familie lastiger maakt dan in de meeste andere groepen.

Inheemse soorten 29 soorten

Soorten die hier van nature voorkomen: broedvogels, wintergasten en doortrekkers. Ze staan per geslacht, in de volgorde van de lijst.

Grijze wouwen | Elaninae

1 soort

Klein en licht gebouwd, met een korte haaksnavel en betrekkelijk kleine voeten: deze groep jaagt op muizen en grote insecten in open, warm land. Het verenkleed is asgrijs op de rug en wit op kop en onderdelen, met een zwarte schoudervlek en een dieprode iris — een kleurstelling die binnen de havikachtigen nergens anders zo terugkomt. De vleugels zijn spits en de vlucht is zacht en wiegend, meer die van een meeuw dan van een buizerd; het opvallendst is het bidden, waarbij de vogel met hangende poten en snelle vleugelslag boven één plek blijft staan voordat hij zich laat vallen. Ze jagen graag in de schemering, zitten overdag op paaltjes en draden, en bouwen een klein takkennest laag in een doornstruik of boom.

Elanus 1 soort

Lammergieren en aasgieren | Gypaetinae

2 soorten

Aaseters van een ander slag dan de grote gieren: de kop is bevederd of hoogstens rond het gezicht kaal, en de snavel is te licht om een dikke huid open te scheuren. Ze komen dus laat bij een karkas en nemen wat de anderen laten liggen — vlees van kleine kadavers, botten, afval bij dorpen — en ze zijn vindingrijk: de één laat botten van hoogte op rotsen kapotvallen om bij het merg te komen, de ander gooit met een steen een groot ei stuk. De vlucht is licht en behendig, met smalle vleugels en een lange wigvormige staart, heel anders dan de brede plank van de echte gieren. Ze zeilen langs bergwanden en broeden op een richel of in een grot, met een paar dat jaren bijeen blijft.

Gypaetus 1 soort

Neophron 1 soort

Wespendieven | Perninae

1 soort

Een groep die haar voedsel niet grijpt maar opgraaft: met de poten wordt een wespennest uit de bodem gewroet, waarna de raten met de larven worden uitgeplukt. De kop is daarop ingericht — klein en smal, met stevige, schubachtige veertjes tussen oog en snavel die steken tegenhouden, een spleetvormig neusgat en een slanke snavel — en de klauwen zijn korter en minder gebogen dan bij vogels die levende prooi moeten vasthouden. In de vlucht valt de lange staart met brede banden op, de smalle hals met het duivenkopje, en het zeilen op vlak gehouden vleugels. Ze lopen veel op de grond, verschijnen pas laat in het voorjaar en versieren het nest met verse groene takken.

Pernis 1 soort

Slangenarenden | Circaetinae

1 soort

Deze arenden leven vrijwel geheel van reptielen, en alles aan ze is daarop afgestemd. De kop is groot en rond met een uilachtig voorkomen en grote gele ogen die ver naar voren staan, zodat de vogel het doel scherp in beeld houdt tijdens de val erop. De poten zijn onbevederd en bedekt met dikke, harde schubben die beten tegenhouden, en de tenen zijn kort en krachtig om een kronkelend lijf tegen de grond te klemmen. In het veld is het silhouet onmiskenbaar: een grote, van onderen bijna witte vogel met een donkere kap, die op brede vleugels lang boven één plek in de lucht blijft hangen en biddend het terrein afzoekt. Er wordt één ei gelegd, in een klein takkennest boven in een boom.

Circaetus 1 soort

Echte gieren | Aegypiinae

3 soorten

De grootste zeilvliegers van de familie, en de enige die volledig van dode dieren leven. Kop en hals zijn kaal of met dons bedekt en blijven daardoor schoon als de vogel diep in een karkas reikt; onderaan de hals staat een kraag van veren waarin de kop wordt teruggetrokken. De snavel is zwaar en haakvormig om een huid open te trekken, maar de voeten zijn juist zwak, met stompe nagels: wegdragen kunnen ze niets. De vleugels zijn breed als planken, met lange gespreide vingers aan het einde, en de vogel hangt uren op thermiek zonder een slag te doen, met een oog op de grond en een oog op de buren. Ze verzamelen in groepen bij een kadaver en broeden in kolonies op rotsrichels, één ei per jaar.

Aegypius 1 soort

Gyps 2 soorten

Arenden | Aquilinae

8 soorten

Wat deze groep bindt is te zien aan de poot: het loopbeen is tot aan de tenen bevederd, een broek die geen andere ondergroep van de familie draagt. De voet is zwaar, met dikke tenen en lange klauwen om een haas, een marmot of een vogel op de grond vast te pinnen, en de snavel is groot en diep. Ze jagen zeilend van grote hoogte of vanaf een uitkijkpost en dalen in een lange schuine duik; in de vlucht valt de brede vleugel op met diep gespreide vingers, vaak in een ondiepe V gehouden, en een kop die ver vooruit steekt. Het nest is een zware takkenstapel op een rotsrichel of in een hoge boom, jaar na jaar gebruikt en steeds groter.

Clanga 2 soorten

Hieraaetus 1 soort

Aquila 5 soorten

Haviken, sperwers en kiekendieven | Accipitrinae

7 soorten

Verrassingsjagers die hun prooi laag en dichtbij grijpen, niet uit de hoogte. De poten zijn opvallend lang en dun en de tenen slank met naaldscherpe nagels, waarmee een vogel of een muis dwars door blad of gras heen wordt gepakt. Het vrouwtje is veel groter dan het mannetje — in deze groep is dat verschil het sterkst van de hele familie, tot bijna dubbel gewicht toe. Twee vliegbeelden komen erin voor: korte, ronde vleugels met een lange staart, waarmee tussen boomstammen door wordt gemanoeuvreerd in een vlucht van enkele slagen en een glijstuk, en lange smalle vleugels waarmee laag en wiegend over open land wordt gezocht, in een ondiepe V. Er wordt jaarlijks een eigen nest gebouwd, hoog in een boom of juist op de grond.

Tachyspiza 1 soort

Accipiter 1 soort

Astur 1 soort

Circus 4 soorten

Wouwen, zeearenden en buizerds | Buteoninae

6 soorten

Bij deze groep is het loopbeen kaal en geschubd, niet bevederd zoals bij de arenden. Het zijn de gelegenheidseters van de familie: ze nemen wat voorhanden is — muizen, kikkers, jonge vogels, wormen, vis van het wateroppervlak, een aangereden dier langs de weg — ze schuwen aas niet en pikken elkaar de buit ook wel af. De vleugels zijn breed en het zijn zeilers, urenlang cirkelend of laag zoekend boven open land; de staart is kort en gespreid als een waaier, of juist lang en gevorkt en wordt dan als een roer gedraaid. Er wordt veel vanaf een paal of een kale tak geloerd. Het nest ligt in een boom of op een rotswand en wordt vaak opgesierd met lappen, papier en plastic.

Milvus 2 soorten

Haliaeetus 1 soort

Buteo 3 soorten

Dwaalgasten 1 soort

Verdwaalde vogels uit andere werelddelen. Ze hebben hier geen verspreiding en dus geen verspreidingskaart.