Alle soorten › Uilen
Uilen | Strigiformes
Owls | Rapaces nocturnas
Jagers met een grote, brede kop waarin beide ogen naar voren staan, zodat de gezichtsvelden elkaar overlappen en de vogel diepte ziet; de ogen zijn buisvormig en zitten vast in hun kas, en daarom draait een uil de hele kop mee — veertien halswervels maken ruim een halve slag mogelijk. Rond elk oog ligt een schijf van korte, stugge veertjes die geluid naar de oorspleten leidt, en bij een deel van de soorten zitten die spleten op ongelijke hoogte, waardoor een geluid ook in de hoogte te plaatsen is en er in volstrekt donker geslagen kan worden. Het verenkleed is zacht en donzig en de buitenste handpen draagt een kamvormige voorrand, zodat de vleugelslag vrijwel geen geluid maakt; de buitenste teen is omkeerbaar en de nagels zijn lang en sterk gekromd. De prooi gaat in zijn geheel naar binnen en wat niet verteert — botjes, haren, veren — komt als braakbal weer naar buiten; de witte, bijna ronde eieren liggen zonder eigen nestbouw in een holte of een verlaten nest, en omdat er vanaf het eerste ei wordt gebroed verschillen de jongen van één nest sterk in grootte.
Families in deze orde
- Kerkuilen | Tytonidae1 soortDe gezichtsschijf is hartvormig en loopt onderaan in een smalle punt uit; de ogen zijn naar uilenmaat klein en donker, de kop is smal en de poten zijn lang en tot op de tenen bevederd. De binnenteen is even lang als de middenteen, en de nagel van die middenteen draagt een rij fijne tandjes waarmee de schijf wordt schoongekamd; het borstbeen is met de vorkvormige sleutelbeenderen vergroeid. Geroep in de vorm van holle tonen ontbreekt: deze vogels sissen, snorken en gillen. Ze jagen laag en zoekend boven open, ruig land, vrijwel uitsluitend op muizen en spitsmuizen, en broeden in een donkere holte in gebouw, rots of boom; de legselgrootte volgt de muizenstand, zodat een goed jaar twee broedsels kan opleveren en een slecht jaar geen enkel.
- Echte uilen | Strigidae16 soortenDe gezichtsschijf is rond en de ogen zijn groot, met een iris die van geel tot vrijwel zwart loopt; veel soorten dragen op de kop twee oprichtbare veerpluimen die niets met het gehoor te maken hebben maar wel de omtrek van de kop breken. De binnenteen is korter dan de middenteen en de middennagel is glad; binnen deze ene familie loopt het formaat uiteen van een vogel van zestig gram tot een van drie kilo, met dicht bevederde tenen bij de noordelijke soorten en kale of beborstelde tenen bij de zuidelijke. De stem bestaat uit doffe, ver dragende tonen of heldere fluitjes waarmee het territorium buiten de broedtijd door wordt bezet — meestal het eerste waaraan de soort te herkennen valt. Er wordt gebroed in een boomholte, een oud kraaien- of roofvogelnest, op een rotsrichel of eenvoudig op de grond; het vrouwtje broedt en dekt de jongen, het mannetje brengt al het voedsel aan.