Alle soorten › Roofvogels

Roofvogels | Accipitriformes

Birds of prey | Rapaces diurnas

Overdag jagende roofvogels met een sterk gehaakte snavel waarvan de basis in een wasachtige huid ligt, de was, waarin de neusgaten uitkomen. De prooi wordt met de voet gegrepen en met de scherpe, gebogen klauwen gedood; de snavel komt er pas daarna aan te pas, om het vlees uit elkaar te trekken. De ogen zijn groot en uitzonderlijk scherp, het vrouwtje is bij de meeste soorten duidelijk groter dan het mannetje, en onverteerbare resten als haren en botjes worden als braakbal weer uitgespuwd. Valken en uilen leven op eenzelfde manier, maar staan in deze indeling in andere ordes.

Families in deze orde

  • Visarenden | Pandionidae1 soortEén soort, verspreid over vrijwel de hele wereld en volledig op vis ingericht. De buitenste teen kan naar achteren worden gedraaid, zodat de prooi tussen twee tenen voor en twee achter geklemd zit, en de onderkant van de tenen is bezet met stekelige schubjes die het glibberige lichaam tegenhouden; de klauwen zijn even lang en sterk gekromd, de neusgaten sluiten en het dichte, vettige verenkleed laat water afglijden. De vleugels zijn lang en in de pols geknikt, wat bidden mogelijk maakt: de vogel laat zich met de poten vooruit in het water vallen, werkt zich er weer uit en draagt de vis met de kop naar voren in de lengterichting van het lichaam weg. Het nest is een grote takkenhoop bovenop een boom, mast of rots, die elk jaar wordt aangevuld.
  • Havikachtigen | Accipitridae30 soortenAlle leden delen dezelfde uitrusting: een haaksnavel zonder de tand die valken in de snijrand hebben, een krachtige voet met vier tenen en scherpe klauwen om prooi of aas vast te houden, en brede vleugels met gespreide handpenpunten waarmee ze op thermiek hoogte winnen, met de staart als roer. Ze bouwen een nest van takken of nemen dat van een ander over en leggen kleine legsels van één tot enkele eieren, die vooral door het vrouwtje worden bebroed terwijl het mannetje het voedsel aanvoert. De eieren komen na elkaar uit, zodat de jongen in grootte verschillen; ze worden met afgescheurde stukjes gevoerd en vliegen pas na weken uit. Daarna dragen ze nog één of meer jaren een eigen jeugdkleed, wat het op naam brengen binnen deze familie lastiger maakt dan in de meeste andere groepen.