Alle soorten › Papegaaiachtigen
Papegaaiachtigen | Psittaciformes
Parrots | Loros y cotorras
De snavel is kort, hoog en sterk gehaakt, en de bovensnavel is met een scharnier aan de schedel verbonden zodat hij zelfstandig kan bewegen; aan de basis ligt een wasachtige huid met de neusgaten. De voet heeft twee tenen naar voren en twee naar achteren en wordt als een hand gebruikt: het voedsel wordt opgepakt en naar de snavel gebracht, en daar gepeld en gekraakt in plaats van heel doorgeslikt. Het rood en geel in het verenkleed komt van pigmenten die alleen bij deze groep voorkomen; samen met de blauwe weerkaatsing van de verenstructuur leveren die het bekende groen op. Het zijn holenbroeders met witte, bijna ronde eieren en naakte, hulpeloze jongen; ze worden oud, leven in groepen en hebben luide roepen en een groot vermogen tot nabootsen.
Families in deze orde
- Papegaaien | Psittacidae3 soortenDe papegaaien van de Nieuwe Wereld en Afrika vormen samen deze familie; in Europa gaat het uitsluitend om ontsnapte kooivogels uit Zuid-Amerika. Ze zijn compact gebouwd, met een korte nek, een grote kop en een haakvormige, sterk gewelfde snavel waarvan de bovenkaak beweeglijk in de schedel is opgehangen — daarmee kraken ze harde zaden en klimmen ze door het gebladerte. De poot heeft twee tenen naar voren en twee naar achteren, wat een grijpende voet oplevert die het voedsel naar de snavel brengt. Groen overheerst, vaak met rood of geel op kop en vleugelboeg. Het zijn luidruchtige, uitgesproken sociale vogels die in groepen foerageren en slapen; de meeste soorten broeden in holten, maar de monniksparkiet bouwt als enige papegaai een groot gemeenschappelijk takkennest.
- Halsbandparkieten | Psittaculidae2 soortenDeze familie verzamelt de papegaaien van de Oude Wereld en berust vooral op moleculaire gegevens; in uiterlijk lopen de leden ver uiteen. Gemeenschappelijk zijn een klein tot middelgroot formaat, een overwegend groen verenkleed en bij veel soorten een lange, trapsgewijs toelopende staart met smalle, spitse vleugels, wat een snelle en rechtlijnige vlucht oplevert. Ze foerageren in de kruinen op vruchten, knoppen, bloesem en zaden en laten daarbij veel vallen; buiten de broedtijd slapen ze met velen in dezelfde hoge bomen, luid roepend bij aankomst en vertrek. In de boomholte broedt het vrouwtje alleen en wordt zij door het mannetje gevoerd.