Alle soorten › Kraanvogelachtigen

Kraanvogelachtigen | Gruiformes

Cranes, rails and allies | Grullas y rálidos

Kraanvogels en rallen lijken uiterlijk weinig op elkaar; ze worden vooral op moleculaire gegevens en op kenmerken van het skelet samengenomen. Wat ze delen is een leven op de grond in moeras, riet en natte graslanden: lange poten met lange, ongewebde tenen die het gewicht verdelen over zachte modder en drijvende planten, een kleine en hooggeplaatste achterteen, brede ronde vleugels en een korte staart, zodat de poten in vlucht voorbij het staarteinde steken. Veel soorten ruien de slagpennen in één keer en kunnen dan enkele weken niet vliegen. Het nest ligt op de grond of op een platform in de vegetatie, de jongen komen in donsjas en ziende uit het ei, verlaten het nest binnen een paar dagen en worden de eerste tijd nog door beide ouders gevoerd.

Families in deze orde

  • Kraanvogels | Gruidae4 soortenGrote vogels met lange hals en lange poten die, anders dan reigers, met gestrekte hals vliegen; de verlengde binnenste armpennen hangen als een pluim over de staart. Bij de meeste soorten is de luchtpijp verlengd en in het borstbeen opgerold, wat de ver dragende trompettoon verklaart die een paar vaak in duet uitbrengt. De snavel is recht en middellang: ze foerageren lopend over bouwland, steppe en natte weide, graven knollen en wortels op en pikken daarnaast zaad, insecten en kleine gewervelden. De achterteen is klein en hoog ingeplant, zodat ze niet in bomen zitten; het legsel is twee eieren, meestal wordt één jong groot en dat blijft de eerste winter bij de ouders.
  • Rallen | Rallidae10 soortenHet lichaam is zijdelings afgeplat, zodat de vogel zich tussen dicht riet en zeggen door kan wringen; de tenen zijn opvallend lang, bij de zwemmende soorten met gelobde zwemvliezen. De vleugels zijn kort en rond: over korte afstand vliegen ze fladderend en met bungelende poten, al trekken veel soorten 's nachts over grote afstanden. De korte staart wordt bij het lopen omhoog gewipt, waarbij de vaak lichte onderstaart opvalt, en de snavel loopt van kort en kegelvormig tot lang en dun, naar het voedsel dat gezocht wordt. Het nest is een kom van stengels en bladeren, verborgen boven ondiep water; de legsels zijn groot en de zwarte donsjongen volgen de ouders binnen een dag en worden snavel aan snavel gevoerd.