Alle soortenRoofvogelsHavikachtigen › Bruine kiekendief

Bruine kiekendief | Circus aeruginosus

Western marsh harrier | Aguilucho lagunero occidental

De grootste en zwaarste kiekendief van Europa, onlosmakelijk verbonden met uitgestrekt riet. Het verschil tussen het driekleurige mannetje en het chocoladebruine wijfje met roomkleurige kap is zo groot dat beginners ze vaak voor twee soorten aanzien.

Bruine kiekendief (Circus aeruginosus)
Hoofdfoto · Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

Meestal zwijgzaam. Boven de broedplaats roept het mannetje in april en mei bij de baltsvlucht een hoog, nasaal kwie-a, en bij de prooioverdracht klinkt van het wijfje een jengelend pieh-pieh. Jongen bedelen de hele zomer zeurderig vanuit het riet.

Luister: RoepWikimedia Commons

Opname: Sternanita2 — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Zweeft met duidelijk opgeheven vleugels in een ondiepe V, traag wiegend laag over het riet, en oogt zwaarder en breder gevleugeld dan de andere kiekendieven. Mannetje: bruine rug, grijze vleugelpanelen en grijze staart, zwarte handpennen. Wijfje en juveniel egaal chocoladebruin met crèmekleurige kruin, keel en voorvleugelrand; juvenielen zijn soms vrijwel geheel donker.

Verwarrings­soorten

Blauwe en grauwe kiekendief zijn slanker, lichter gebouwd en hebben altijd een witte stuit; die ontbreekt bij de bruine. Donkere juveniele bruine kiekendieven worden verward met jonge zeearenden of met zwarte wouw: let op de veel kleinere kop, de smallere vleugels en de lichte kruin en keel van de kiekendief.

Leefgebied

Grote rietvelden en verlandende moerassen, maar tegenwoordig ook rietkragen langs sloten, jonge polders en zelfs koolzaad- en graanakkers. Jaagt laag zoekend boven riet, ruige graslanden en akkerranden, met plotselinge draaien en een korte val op muizen, jonge vogels en eieren.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Broedt van Iberië tot Scandinavië en oostwaarts door Rusland. De moerassen van de Lage Landen dragen een groot deel van de Noordwest-Europese populatie; rond de Middellandse Zee talrijk in de Guadalquivir-marismas en de Ebrodelta, deels jaarrond. Noordelijke vogels overwinteren in de Sahel en rond de Middellandse Zee.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

April tot augustus, vroeg in de ochtend of het laatste uur voor zonsondergang, vanaf een dijk of uitkijkpunt met zicht over het riet. Zoek de wiegende V-vlucht laag boven het gewas; in april verraadt de wilde baltsvlucht met duikelingen boven het nest het territorium.

Staat van instandhouding

Sterk hersteld sinds het verbod op organochloorpesticiden en de aanleg van nieuwe moerasgebieden, maar in Nederland de laatste jaren weer teruglopend. Verruiging en verdroging van rietland, predatie door vos, vergiftiging in de overwinteringsgebieden en aanvaringen met windturbines in open polders spelen mee.

Wetenschappelijke naam

Circus aeruginosus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Falco aeruginosus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Circus werd in 1799 ingevoerd door De Lacépède. Circus komt van het Griekse kirkos, een roofvogel die naar zijn cirkelende vlucht werd genoemd. aeruginosus is Latijn voor 'roestkleurig', van aerugo 'roest, kopergroen'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.