Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen en sterns › Amerikaanse dwergstern

Amerikaanse dwergstern | Sternula antillarum

Least Tern | Charrancito americano

De Amerikaanse dwergstern is de kleinste stern van het gebied en een algemene zomergast op de meeste eilanden. Hij broedt in losse kolonies op kale zandvlakten, stranden, randen van zoutpannen en opgespoten terreinen, in Noord-Amerika ook op grinddaken. Met snelle vleugelslagen bidt hij boven ondiep water voordat hij zich naar een visje laat vallen.

Amerikaanse dwergstern (Sternula antillarum)
Foto: Rhododendrites — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een hoog, scherp kriet en een snel, kwetterend kidik-kidik; op de kolonie veel lawaai, met duikvluchten op indringers.

Luister: RoepXC1027108

Opname: Paul Driver — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

22–24 cm, klein, met smalle vleugels en een korte, gevorkte staart. In zomerkleed een zwarte kap met een scherpe witte voorhoofdsdriehoek tot boven het oog, lichtgrijze bovendelen en witte onderdelen. De snavel is geel met een zwarte punt, de poten zijn geel tot oranje. De twee of drie buitenste handpennen vormen een donkere voorrand aan de vleugelpunt. In winterkleed is de snavel zwart, het voorhoofd breed wit en de kap teruggebracht tot een zwarte nekband. Jonge vogels hebben bruin geschubde bovendelen, een donkere band op de voorvleugel en een donkere snavel.

Verwarrings­soorten

De amazonestern Sternula superciliaris, alleen zeldzaam op Trinidad, is iets groter met een dikkere, geheel gele snavel. De visdief Sterna hirundo, de Dougalls stern Sterna dougallii en de Forsters stern Sterna forsteri zijn veel groter, met een langere staart en een tragere vlucht. Jonge zwarte sterns Chlidonias niger hebben een donkere borstvlek en een grijzere stuit.

Leefgebied

Ondiepe kustwateren, lagunes, zoutpannen, baaien met zeegras en riviermondingen. Broedt op open, kale ondergrond met weinig begroeiing: zandstranden, schelpenbanken, droge randen van zoutpannen, opgespoten land en braakliggend terrein bij havens.

Verspreiding en trek

Broedt in het hele gebied: op de Bahama's, de Turks- en Caicoseilanden, Cuba, de Kaaimaneilanden, Jamaica, Hispaniola, Puerto Rico, de Maagdeneilanden, vele eilanden van de Kleine Antillen, Aruba, Bonaire en Curaçao en San Andrés. Op Trinidad en Tobago vooral doortrekker. In de winter verdwijnt de soort grotendeels uit het gebied. Buiten het gebied broedt ze langs de kusten en rivieren van de Verenigde Staten, in Mexico en langs de Caribische kust van Midden-Amerika en Venezuela, en overwintert ze langs de kusten van Zuid-Amerika.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Van april tot augustus bij vrijwel elke zoutpan en lagune met kale oevers, bijvoorbeeld op de ABC-eilanden, Puerto Rico en de Bahama's. Kolonies zijn te herkennen aan de luid roepende, duikende vogels; afstand houden voorkomt dat eieren en kuikens oververhit raken.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Broedplaatsen op stranden lijden sterk onder verstoring door recreatie, loslopende honden en katten, voertuigen en hoog water; ook bebouwing van zoutpannen en kustvlakten neemt broedgebied weg. Plaatselijk biedt opgespoten land tijdelijk nieuwe broedplaatsen.

Wetenschappelijke naam

Sternula antillarum | Lesson, 1847

Lesson beschreef de soort in 1847 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Sternula werd in 1822 ingevoerd door Boie. Sternula is een Latijnse verkleinvorm van Sterna en betekent dus 'sterntje'. antillarum betekent 'van de Antillen'; de soort werd beschreven van Guadeloupe. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Guadeloupe.