Alle soorten › Zangvogels › Kardinaalachtigen › Blauwe bisschop

Blauwe bisschop | Passerina caerulea

Blue Grosbeak | Picogrueso azul

De blauwe bisschop is een middelgrote kardinaalachtige van struweel, bosranden en ruige velden in het zuiden van de Verenigde Staten, Mexico en Midden-Amerika. Noordelijke vogels trekken in de winter naar Mexico en Midden-Amerika; het Caribisch gebied wordt vooral in het noordwesten aangedaan. Op Cuba heet hij azulejón.

Blauwe bisschop (Passerina caerulea)
Foto: Rhododendrites — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een luid, metaalachtig tsjink; in vlucht een zoemend bzzt. De zang is een snelle, kwetterende reeks warbeltonen, die in de winter zelden te horen is.

Luister: ZangXC1031007

Opname: Manuel Grosselet — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

14–19 cm, met een zware, driehoekige snavel waarvan de ondersnavel zilvergrijs is. Het mannetje is diep blauw met een zwartige teugel en twee brede kastanjebruine vleugelstrepen; in de herfst zijn de blauwe veren bruin gerand. Het vrouwtje is warmbruin, op de stuit soms blauwig, met twee kaneelbruine tot okerkleurige vleugelstrepen. Jonge mannetjes zijn bruin met blauwe vlekken. Een gewoonte is het wijd uitwaaieren en heen en weer zwaaien van de staart.

Verwarrings­soorten

De indigogors Passerina cyanea is kleiner, met een kleinere snavel en zonder brede kastanjebruine vleugelstrepen; vrouwtjes zijn ook egaler bruin. Het mannetje van de jacarinagors Volatinia jacarina is kleiner, glanzend blauwzwart en heeft geen vleugelstrepen. Vrouwtjes van de roodborstkardinaal Pheucticus ludovicianus zijn groter, gestreept en hebben een witte wenkbrauwstreep.

Leefgebied

Ruige graslanden, akkerranden, weiland met verspreide struiken, kuststruweel, doornstruweel en wegbermen. Eet zaden van grassen en kruiden en grotere insecten, die hij laag in de vegetatie of op de grond zoekt.

Verspreiding en trek

Een schaarse doortrekker op Cuba, de Bahama's, de Kaaimaneilanden en San Andrés, met een klein aantal overwinteraars, vooral in het westen van Cuba. Zeldzaam op Jamaica; op Hispaniola, Puerto Rico, de Maagdeneilanden en in de Kleine Antillen slechts een dwaalgast. Broedt van de Verenigde Staten door Mexico tot in Costa Rica; noordelijke vogels overwinteren van Mexico tot Panama, enkele tot in het noorden van Zuid-Amerika.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het meest kans in september–oktober en april in het westen van Cuba en op de Bahama's, in ruig grasland met struiken en langs akkers, vaak samen met indigogorzen. Het luide tsjink onderscheidt hem van de zachter roepende indigogors.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort is wijdverbreid en heeft zich in de afgelopen eeuw in het broedgebied naar het noorden uitgebreid.

Wetenschappelijke naam

Passerina caerulea | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Loxia caerulea; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Passerina werd in 1816 ingevoerd door Vieillot. Passerina komt van het Latijnse passerinus 'musachtig', bij passer 'mus'. caerulea is Latijn voor 'blauw', naar het blauwe verenkleed van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit South Carolina.