Alle soorten › Zangvogels › Kardinaalachtigen › Purpergors

Purpergors | Passerina ciris

Painted Bunting | Azulillo sietecolores

De purpergors is een kleine kardinaalachtige met twee gescheiden broedpopulaties in de Verenigde Staten: een in het zuidelijk midden en een langs de Atlantische kust van de Carolina's tot Florida. Vogels van die oostelijke populatie overwinteren in Florida, op Cuba en de Bahama's. Op Cuba heet hij mariposa; hij is daar een gezochte kooivogel.

Purpergors (Passerina ciris)
Foto: Dakota L. — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een zacht, metaalachtig tsjip of plik. De zang is een vrolijk klinkende, snelle reeks warbeltonen; in de winter zelden te horen.

Luister: ZangXC1087845

Opname: Sue Riffe — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

12–14 cm, met een korte kegelsnavel. Het volwassen mannetje heeft een blauwe kop met een rode oogring, een geelgroene mantel, een rode stuit en geheel rode onderdelen; vleugels en staart zijn donker met groene en roodachtige randen. Het mannetje krijgt dit kleed pas in het tweede jaar; in het eerste jaar lijkt het op het vrouwtje. Het vrouwtje is egaal heldergroen op de bovendelen en geelgroen op de onderdelen, met een lichte oogring; jonge vogels zijn valer en grijziger groen.

Verwarrings­soorten

Er zijn in het gebied geen andere vinkachtige vogels met dit kleurpatroon. Vrouwtjes en jonge vogels zijn te verwarren met de grote cubavink Tiaris olivaceus, die kleiner is, olijfkleurig in plaats van heldergroen, en een zwartere snavel heeft, en met vrouwtjes van de indigogors Passerina cyanea, die bruin zijn. Vireo's en zangers zijn eveneens groen, maar hebben een dunne, spitse snavel.

Leefgebied

Ruigtes, struweel langs de kust en wegen, bosranden, droog bos en kustbos met dichte ondergroei, verwilderde akkers en grote tuinen. Foerageert onopvallend op of vlak boven de grond, vaak in dekking, op graszaden en kleine insecten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Een vrij algemene wintergast op Cuba, vooral in het westen, en een schaarse tot vrij algemene wintergast op de Bahama's. Zeldzaam op Jamaica en de Kaaimaneilanden; op Hispaniola, de Turks- en Caicoseilanden en elders in het gebied slechts een dwaalgast. Buiten het gebied broedend in het zuiden van de Verenigde Staten en het noordoosten van Mexico en overwinterend van Florida en Mexico tot Panama.

  • Jaarrond
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Op Cuba in de winter in ruig struweel aan bosranden, bijvoorbeeld op het schiereiland Zapata en in de provincie Pinar del Río. Vogels zitten vaak lang verscholen in dekking; geduldig wachten bij een open plek met zaaddragende grassen geeft de beste kans.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd, maar de aantallen zijn sinds de jaren zestig flink afgenomen, vooral door verlies van struweel en kustbegroeiing in het broedgebied. De oostelijke populatie is klein en kwetsbaar. Op Cuba en in Midden-Amerika worden vogels gevangen voor de kooivogelhandel.

Wetenschappelijke naam

Passerina ciris | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Emberiza ciris; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Passerina werd in 1816 ingevoerd door Vieillot. Passerina komt van het Latijnse passerinus 'musachtig', bij passer 'mus'. ciris is de Latijnse naam van een mythische vogel, van het Griekse keiris, een niet te identificeren vogel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit South Carolina.