Alle soorten › Zangvogels › Troepialen › Bobolink

Bobolink | Dolichonyx oryzivorus

Bobolink | Tordo arrocero

De bobolink is een kleine troepiaal van Noord-Amerikaanse hooilanden die een van de langste trekroutes van alle zangvogels aflegt: van Canada en het noorden van de Verenigde Staten naar de graslanden van Bolivia, Paraguay en Argentinië. Een groot deel van de populatie trekt in de herfst over de westelijke Grote Antillen en steekt daarna de Caribische Zee over. Op Jamaica stond hij vroeger bekend als butterbird, omdat hij vet van de rijstvelden kwam; elders heet hij ook ricebird.

Bobolink (Dolichonyx oryzivorus)
Foto: Paul Danese — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep, vooral in vlucht, is een helder, metaalachtig pink, waaraan overtrekkende groepen ook 's nachts te herkennen zijn. De borrelende, rinkelende zang van het mannetje is in het gebied vooral in het voorjaar af en toe te horen.

Luister: ZangXC1182516

Opname: Christian Kerihuel — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

16–18 cm, gedrongen, met een korte, kegelvormige snavel en spitse staartpennen. Het mannetje in broedkleed is als enige Noord-Amerikaanse zangvogel van onderen zwart en van boven grotendeels licht: zwart met een roomgele nek, witte schouders en een witte stuit. In het gebied zijn vrijwel alle vogels in rust- of jeugdkleed: geelbeige met een donkere kruin met lichte middenstreep, een donkere oogstreep, zwartachtig gestreepte rug en fijne strepen op de flanken. De snavel is dan roze-hoornkleurig. Mannetjes in het voorjaar kunnen in overgangskleed zijn.

Verwarrings­soorten

De dickcissel Spiza americana heeft een dikkere, grijze snavel, een gele wenkbrauwstreep en roodbruine vleugelboeg, en een grijze nek. De savannahgors Passerculus sandwichensis en de sprinkhaangors Ammodramus savannarum zijn kleiner, met een kortere staart en geen warm geelbeige kleed. Vrouwtjes van de bruinkopkoevogel Molothrus ater en de glanskoevogel Molothrus bonariensis zijn egaal grijsbruin, zonder kopstrepen.

Leefgebied

Rijstvelden, grasland, ruige weiden, zoetwatermoerassen met grassen en biezen en de randen van akkers met graan of sorghum. Trekt in groepen, die soms honderden vogels tellen, en eet in de herfst vooral zaden, waaronder rijst, wat de soort op rijstbouwende eilanden in ongunstig daglicht plaatst.

Verspreiding en trek

Doortrekker door het hele gebied, het talrijkst in het westen: op Cuba, Jamaica, de Kaaimaneilanden en de Bahama's, verder op San Andrés, Puerto Rico, de ABC-eilanden en Trinidad en Tobago. Op de Kleine Antillen schaars tot zeldzaam, op Hispaniola weinig gemeld. Broedt in het zuiden van Canada en het noorden van de Verenigde Staten en overwintert in het zuiden van Zuid-Amerika.

  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In september en oktober in de rijstvelden en natte graslanden van Cuba en Jamaica, en bij de grazige randen van vliegvelden op de Kaaimaneilanden en de Bahama's. Overvliegende groepen verraden zich door het pink; landende vogels verdwijnen snel tussen hoge grassen.

Staat van instandhouding

Gevoelig. De broedpopulatie is sinds de jaren zestig sterk afgenomen door vroeg maaien en het verdwijnen van hooiland; in de overwinteringsgebieden worden vogels als plaag in de rijst bestreden. In het Caribisch gebied werd de soort vroeger op grote schaal gevangen voor consumptie.

Wetenschappelijke naam

Dolichonyx oryzivorus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Fringilla oryzivora; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Dolichonyx werd in 1827 ingevoerd door Swainson. Dolichonyx is Grieks, van dolikhos 'lang' en onux 'klauw', naar de lange achterteennagel. oryzivorus is Latijn, van oryza 'rijst' en -vorus 'etend', omdat de trekvogels vroeger massaal op rijstvelden foerageerden. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit South Carolina.